Theologische tradities kunnen beter botsen dan elkaar negeren

Theologenblog
beeld Peter Leenhouts

Als clubjes theologisch gelijkgestemden elkaar opzoeken om hun held(in) te vieren, dreigt de verkokering. Er is zo veel meer te leren wanneer verschillende tradities met elkaar in contact komen en zelfs botsen, betoogt Arnold Huijgen.

De afgelopen weken was ik op twee heel verschillende conferenties. De eerste, in Duitsland, was aan Friedrich D. E. Schleiermacher gewijd, de grote liberale theoloog en ‘kerkvader’ van de negentiende eeuw. De voertaal was Duits, er werd veel aan de geschiedenis van de filosofie gerefereerd, en Schleiermacher was duidelijk de held.

De dagopeningen werden in een prachtige kerk vlakbij gehouden. De Schriften gingen open, ook al maakte dat officieel geen onderdeel uit van de conferentie: sommigen hechtten nogal aan de scheiding van wetenschap en vroomheid, ook al is merkwaardig genoeg vroomheid (Frömmigkeit) een centraal begrip in de theologie van Schleiermacher.

De tweede conferentie was het internationale Calvijncongres in Philadelphia. Elke vier jaar komen Calvijnonderzoekers bij elkaar om resultaten van onderzoek uit te wisselen, maar het voelt ook als een soort familiereünie.

Als vanzelf deden alle deelnemers mee met de dagopeningen. De hoofdlezingen gingen vooral over Calvijns historische context en religieuze vrijheid; verschillende kortere bijdragen stelden scherp op Calvijns theologie.

Bij beide conferenties leverde ik bijdragen en was ik bij de organisatie betrokken. Opnieuw verbaasde ik me erover hoe beide groepen lichtjaren van elkaar verwijderd lijken. Als Nederlander blijf ik me erover verwonderen hoe verschillend de Duitstalige en de Engelstalige tradities zijn. Dat zit ’m niet alleen in de glazen flessen voor het water in Duitsland en het alomtegenwoordige plastic in de Verenigde Staten. Sommige Duitse studenten en docenten lezen nauwelijks Engels, laat staan dat ze het spreken. Omgekeerd zijn de meeste Amerikanen niet op de hoogte van wat er in het Duitse taalgebied gebeurt.

Juist in een vakgebied als de theologie, waar het nota bene om God gaat, zou je toch verwachten dat verschillende tradities van elkaar willen leren. Maar de praktijk is er een van verkokering.

De hele benadering van de theologie verschilt ook enorm. Duitse studenten lijken allemaal als kind in een ketel met filosofie van Immanuel Kant (1724-1804) en Georg W. F. Hegel (1770-1831) te zijn gevallen, terwijl de Angelsaksische insteek veel praktischer is.

Een karikaturaal verhaal dat ik geregeld aan studenten vertel, kan de verschillen duidelijk maken: Een Engelsman, een Fransman en een Duitser spreken af dat ze twee jaar zullen nemen om elk een boek over de olifant te schrijven. Na twee jaar komen ze bij elkaar en presenteren ze hun werk. De Engelsman komt met een dunne paperback: The Elephant: How I shot it. De Fransman legt een elegante, iets dikkere paperback neer: L’Eléphant et l’amour. De Duitser komt met een vuistdikke gebonden uitgave: Elementare Elephantenkunde: Erster Teil.

Nederlanders hebben in die zin een unieke positie dat ze zich geografisch en inhoudelijk tussen de verschillende tradities in bevinden. Dat was althans vanouds zo. Nu steeds minder studenten Duits (laat staan Frans) spreken, dreigt de Nederlandse horizon steeds beperkter te worden. En zelfs in ons kleine landje dreigt de verkokering, als clubjes theologisch gelijkgestemden elkaar opzoeken om hun held(in) te vieren.

Er is zo veel meer te leren als verschillende tradities met elkaar in contact komen en zelfs botsen. Mede daarom ben ik enthousiast bestuurslid van de Vereniging voor Theologie, die in ieder geval in het Nederlandse taalgebied de verschotting wil doorbreken, met een conferentie van 15 tot 17 januari in Utrecht. Botsende tradities zijn namelijk levende tradities.

De auteur is hoogleraar systematische theologie. Hij schrijft dit artikel als lid van de gezamenlijke onderzoeksgroep BEST (Biblical Exegesis and Systematic Theology) van de Theologische Universiteiten in Apeldoorn en Kampen.