Theologenblog: Zoek geen exegese die eigen visie staaft

Theologenblog
beeld RD, Henk Visscher

Wat zegt de Bijbel? Dat is voor christenen altijd een belangrijke vraag, zeker bij onderwerpen die direct met geloof en kerk te maken hebben. Bij het beantwoorden van deze vraag moeten we er echter wel voor waken niet op zoek te gaan naar een exegese die past bij onze eigen visie.

Het rapport van de synodecommissie ”Revisieverzoeken M/V en ambt” van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) weet niet helemaal aan dit gevaar te ontkomen, als het gaat om de zogenaamde ”zwijgteksten”. Volgens mij gaat het rapport ook in de exegese van Genesis 2-3 te gemakkelijk voorbij aan ongemakkelijke elementen in de Bijbeltekst. Het vertolkt een idee dat breder leeft, namelijk dat de vrouw eigenlijk pas na de zondeval een ondergeschikte positie krijgt (het beruchte ”heersen” uit Genesis 3:16). Daarvóór zou de nadruk liggen op verbondenheid en gezamenlijkheid. Klopt dat idee echter wel?

Wat in ieder geval klopt, is dat Genesis 1 sterk inzet met de principiële gelijkwaardigheid van man en vrouw: beiden zijn geschapen naar het beeld van God. Ook is het zo dat het woord ”helper” in Genesis 2 geen rangorde impliceert. Maar als het gaat om de relatie tussen man en vrouw, zijn er in Genesis 2-3 veel meer zaken van belang. Wie deze hoofdstukken door een oud-Oosterse bril probeert te lezen, ziet toch een duidelijke asymmetrie in de verhoudingen.

Het begint er al mee dat „de mens” die God maakt (Genesis 2:7) de man blijkt te zijn. Pas later maakt Hij ook een vrouw (2:22), maar ook dan blijft dit Bijbelgedeelte consequent over „de mens en zijn vrouw” spreken. De man is en blijft hier dus, om zo te zeggen, de ‘primaire’ mens. Ook het feit dat de vrouw uit de mens (= man) gemaakt wordt, wijst terdege op afhankelijkheid. Van een gezagsrelatie is vervolgens duidelijk sprake als de mens (= man) de vrouw haar naam geeft (2:23), precies zoals hij eerder bij de dieren deed (2:20). Naamgeving is in oud-Oosterse context een duidelijk signaal van het uitoefenen van autoriteit.

Behalve van verbondenheid en gezamenlijkheid – die zijn er zeker, zie bijvoorbeeld de uitroep van de mens (= man) in 2:23 – is er dus reeds in Genesis 2 ook sprake van een zekere rangorde en gezagsrelatie. De oosterling die dit schreef, zag deze aspecten blijkbaar niet als tegenstellingen. In Genesis 3 speelt de asymmetrische relatie tussen man en vrouw vervolgens een belangrijke rol. Dat begint niet pas na de zondeval, maar is een diep geïntegreerd aspect van de zondeval zelf. Wat de slang doet, en waar hij de mens (= man) en de vrouw in meeneemt, is (onder andere) het miskennen en omkeren van de juiste verhoudingen.

Dat blijkt direct aan het begin, als de slang zich niet tot de mens (= man) richt, maar tot de vrouw. Dat is opmerkelijk, temeer omdat de vrouw nog helemaal niet bestond toen God verbood om van „de boom van kennis van goed en kwaad” te eten (2:16-17). Bovendien stond de mens (= man) er ondertussen gewoon bij. Vaak wordt gedacht – en kinderbijbels maken dit niet zelden expliciet – dat de vrouw hem er naderhand bij riep, of de vrucht naar hem toe bracht. De Bijbeltekst zegt echter duidelijk dat de mens (= man) erbij was toen de vrouw werd verleid („die bij haar was”, 3:6). Hij blijft echter passief, terwijl de slang spreekt met de vrouw en zij het voortouw neemt: ze geeft hem een vrucht.

In 21e-eeuwse oren klinkt het misschien tamelijk vergezocht om hier veel achter te zoeken. Gelezen tegen de achtergrond van een mannelijk georiënteerde cultuur, zijn deze elementen in Genesis echter onmiskenbaar: de juiste verhoudingen gaan op hun kop. Dit wordt bovendien bevestigd door het vervolg, als God het woord weer neemt (3:9). Hoewel Hij uiteraard wist dat de vrouw het voortouw had genomen, richt Hij zich tot de mens (= man). Door Hem worden dus, om zo te zeggen, de juiste verhoudingen wél gerespecteerd. Hij beschuldigt de mens (= man) er dan ook van te hebben geluisterd naar zijn vrouw (3:17). Hij had zich nooit door haar moeten laten meenemen in ongehoorzaamheid.

Nu is Genesis 2-3 natuurlijk een oeroude tekst, uit een heel andere cultuur dan de onze. Het is niet zo vreemd dat in patriarchale culturen ook ”oorsprongsverhalen” een mannelijk perspectief vertonen. Dat roept de vraag op welke betekenis dat perspectief voor ons nog heeft. Behoort de in Genesis 2-3 uitgedrukt asymmetrie in de relatie tussen man en vrouw wezenlijk tot Gods boodschap voor vandaag? Of is het iets wat we als tijd- en cultuurgebonden kunnen beschouwen? Dat is een lastige, maar legitieme vraag. Laten we die echter wel bespreken op basis van een exegese die lastige elementen in de Bijbeltekst niet bagatelliseert, maar juist zichtbaar maakt.

De auteur is docent Bijbels Hebreeuws en onderzoeker Oude Testament aan de Theologische Universiteit Apeldoorn. Hij schrijft dit blog als lid van de gezamenlijke onderzoeksgroep BEST (Biblical Exegesis and Systematic Theology) van de Theologische Universiteiten in Apeldoorn en Kampen.