Theologenblog: Goddelijke tranen

beeld Peter Leenhouts

God, Die het kwade niet duldt en in Zijn grote toorn straffen kan, staat daar niet als een onbewogen Rechter bij. Integendeel, betoogt Eric Peels.

In Midden-Frankrijk, even ten oosten van Dijon, ligt het mooie stadje Dôle, de geboorteplaats van Louis Pasteur. Op een heuvel in het centrum staat de oude Notre-Dame-basiliek, de moeite van een bezoek meer dan waard.

De wand van een grote nis toont twee parallelle, metershoge schilderingen. Op de ene ziet een aalmoezenier bewogen neer op de graflegging van een gesneuvelde soldaat. Op de andere ziet een Jezusfiguur met tranen in de ogen neer op de lichamen van dode soldaten, die kriskras in de modder op de grond liggen. De wond aan Zijn zijde is zichtbaar. Hij draagt een doornenkroon met lijnrecht in perspectief daarachter de loopgravenlinie, gebroken staketsels en verwarde prikkeldraadversperringen. Een aangrijpend beeld.

Onder de wandschilderingen hangen plaquettes met honderden (!) namen: ”La paroisse de Dôle à ses enfants morts pour la France” (De gemeente van Dôle ter ere van haar kinderen die voor Frankrijk gestorven zijn).

In deze maand augustus is het precies een eeuw geleden dat de slag bij Amiens (1918) plaatsvond. Aan de jarenlange patstelling van het ”Vom Westen nichts Neues” (boek van Erich Maria Remarque), met slechts geringe wijzigingen in de frontlinies, kwam een einde. Voor de Duitse legers was het een zwarte dag, toen op 8 augustus de geallieerde legers hun kracht braken. Het zou nog tot 11 november duren, vele duizenden doden later, voor de wapenstilstand werd gesloten.

Enorm is de impact van de Eerste Wereldoorlog, die tot op heden zijn sporen trekt. Hier scharnierde de wereldgeschiedenis. In de loopgraven gingen het vooruitgangsgeloof en optimisme van de eeuw daarvoor verloren. Techniek en wetenschap kregen een enorme impuls, ten dienste van het grote sterven. De volkeren van de wereld vielen de schellen van de ogen, tijdens deze ontmaskering van de Europese samenleving en haar zo hooggeroemde cultuur. Dit werd het begin van het einde van de westerse mondiale hegemonie.

Het waren christelijke naties die elkaar te lijf gingen. Anno 2018 kunnen wij maar moeilijk meer begrijpen hoe hun nationaal zelfbewustzijn toen met religieuze sluiers werd omgeven. Hoe onbekommerd kon de naam van God gebruikt worden om de strijd te rechtvaardigen. Blasfemisch komt ons nu het ”Gott mit uns” op de koppelriem van de Duitse infanterist voor.

Indringend blijft het theologisch intermezzo in H. Jonkers veelgeroemde boek ”Sporen van een slag. Een pelgrimage naar Verdun 1916” (1984), over de kernvraag ”Waar was God op de slagvelden?” en de teloorgang van eertijds bejubelde theologische constructies over God en geweld. Treffend verwijst hij naar O. Noordmans: Slechts „de plek licht rondom het kruis van Christus” geeft bij alle ondoorgrondelijkheid van de donkere nacht doorzicht en uitzicht. Vermoedelijk heeft de schilder in de basiliek van Dôle hier iets van verstaan.

Eind deze maand wordt in Groningen een internationale conferentie van oudtestamentici gehouden. Het thema is ”Geweld in de Hebreeuwse Bijbel, tussen tekst en receptie”. Dit staat garant voor spannende discussies, over relevante vragen. Hoe zullen wij, levend in een wereld vol geweld, de Bijbel lezen als het Woord van God - ook als het in de Bijbel zelf over geweld gaat, en deze Bijbelteksten soms ernstig misbruikt werden/worden ter rechtvaardiging van eigen gedrag?

Zelf hoop ik een bijdrage te leveren over ”goddelijke tranen bij goddelijk geweld”. In het boek Jeremia, dat zo vol staat van oordeelsdreiging en ondergang, lezen we óók van de moeite die God zelf daarbij heeft. Zijn klagen, Zijn wenen zelfs. Dat zet het Bijbelse spreken over God onder spanning. Hij die het kwade niet duldt en in Zijn grote toorn straffen kan, staat daar niet als een onbewogen Rechter bij. Integendeel: „Daarom klaagt Mijn hart... als klaagfluiten” (Jer. 48:36). Die wandschildering in Dôle heeft, bij nader inzien, een nog diepere betekenis dan de schilder zelf heeft geweten.

De auteur is hoogleraar Oude Testament. Hij schrijft dit artikel als lid van de gezamenlijke onderzoeksgroep BEST (Biblical Exegesis and Systematic Theology) van de Theologische Universiteiten in Apeldoorn en Kampen.