Stel grenzen aan passend onderwijs

„Leerkrachten werken in het spanningsveld om zowel de groep als de individuele leerling optimaal te bedienen.” beeld iStock

Passend onderwijs heeft een kans van slagen, maar er moeten wel grenzen aan gesteld worden, reageert W. Visser.

De laatste weken gingen verschillende artikelen over passend onderwijs (RD 5-6 en 11-6).

2018-06-11-pkOPI1-Passend_onderwijs-6-FC_webPassend onderwijs vereist drie leerkrachten per groep

2018-06-01-pkOPI1-Passend_onderwijs-6-FC-V_webPassend onderwijs vraagt tijd, bevlogenheid en nuchterheid

Er zijn onderwijsmensen die voor honderd procent geloven dat bijna elk kind op de basisschool onderwijs kan ontvangen. Daartegenover staan collega’s die de moed hebben verloren na een aantal jaren geprobeerd te hebben meer zorgleerlingen een plaats te geven binnen hun scholen. Mijn vraag is vooral: Durven we met elkaar de grenzen van passend onderwijs eerlijk aan te geven?

Van de leerlingen vormt 10 tot 15 procent, al dan niet tijdelijk, een probleem in de klassenpraktijk. Deels wordt dat veroorzaakt door leerproblemen, deels (ongeveer 5 procent) door gedragsproblemen. Bij die laatste groep zit vaak de bottleneck. Recent onderzoek toont aan dat leerkrachten het omgaan met verschillen als grootste probleem ervaren en dat vooral bij kinderen met gedragsproblemen. Slechthorendheid, slechtziendheid en andere handicaps zijn zichtbaar en vergen een ‘technische’ aanpassing: een specifieke lesmethode, een lift of ringleiding.

Onvoorspelbaar

Gedragsproblemen zijn echter onvoorspelbaar. Die vragen een sterke interactie, en gaan dus ook over het gedrag van de leerkracht. Kennis en vaardigheden beïnvloeden de attitude van leerkrachten. Hoe sterker zij zich voelen, hoe minder angst er zal zijn voor passend onderwijs. Zij moeten daarom handelingsvaardigheden leren, gecoacht worden en zelfvertrouwen krijgen. Hier zijn de interne begeleider en de directie nodig met goed leiderschap en een heldere visie.

Op de school waar ik vorig jaar werkte, zeiden collega’s vaak: „Het gebrek aan tijd breekt ons op!” Ze somden op wat ze buiten de les moeten doen: nakijken, voorbereiden, team- en afdelingsvergaderingen bijwonen, informeel overleg voeren, kind- en groepsverslagen maken, gesprekken met ouders voeren. Daarbovenop zijn er extra’s als feestdagen, projecten, uitjes of zwemmen.

Maar ze hebben ook gebrek aan tijd in de klas. Met twintig, dertig leerlingen lopen de dingen altijd anders. Niet alleen door de zorgleerlingen. Alle kinderen nemen hun problemen van thuis mee naar school. Hun stemming, hun verhalen, onze eigen stemming, het telt allemaal mee. En verder is er wat zich opdringt van buiten: een ruzie in de pauze, een ongelukje op de wc, ziekte. Ik herinner me een jongen die totaal overstuur de klas inkwam omdat zijn opa overleden was. Dat verdient dan onze volle aandacht. En bij de maandelijkse test van het luchtalarm sloeg een autistische leerling op tilt. Hem moet je voorbereiden. En dat kost tijd.

Gaat passend onderwijs in de eerste plaats om attitude en vaardigheid en is meer geld geen oplossing? Of zijn ook de middelen van belang voor voorzieningen zoals begeleiding, kleinere klassen of meer handen in de klas? Anders geformuleerd: moeten behalve de grenzen van de leerkracht ook de grenzen van de school verlegd worden? Mijns inziens is het duidelijk: er zijn grenzen! De grens wordt bepaald door een combinatie van de soort problematiek, de vereiste zorg- en onderwijsbegeleiding, de vereiste faciliteiten, de beschikbare ondersteuning, de samenstelling en de grootte van de groep.

Zorgprofiel

Ik noem enkele concrete aandachtspunten wil passend onderwijs een kans hebben.

- Laten we een goed zorgprofiel opstellen over de vragen: Wat willen wij voor school zijn? Welke leerlingen passen binnen onze school? Welke kinderen niet? Hoeveel zorgleerlingen mogen er in een klas zijn? Welke mogelijkheden zijn er om de leerkracht te ondersteunen?

- Durf nee te zeggen als het aangemelde kind te veel extra zorg vraagt of een te grote claim legt op de klas! Andere ouders kunnen dan terecht gaan protesteren en zeggen: „Dat kind benadeelt het onderwijs aan onze kinderen.”

- Denk niet alleen aan professionalisering van directies en leerkrachten. Het gaat veel meer om attitudeverandering. Elke leerkracht moet bereid zijn vanuit zijn hart kinderen het recht te geven op ongelijke behandeling. Dat vraagt heel veel van elke leerkracht.

Hierbij gaat het ook over het organiseren van vaak kleine dingen. De pauze is druk, lawaaiig en roept ruzies op. Bied de autistische leerling de ruimte om binnen te blijven. Een deel van deze kinderen heeft een bloedhekel aan gymnastiek en vooral aan de kleedkamer. Geef hun de ruimte om daarvan af te wijken.

- Differentieer niet alleen naar leerproblemen, maar ook naar gedrag. Differentiatie in gedragsproblemen voorkomt ongelukken.

- Onderzoek met elkaar waar er expertise te verkrijgen is om meer kinderen op een professionele manier te kunnen helpen. Zo rek je de grenzen van wat mogelijk is op een goede manier langzaam op. Maar blijf de grens, in overleg met het team, bewaken!

- Laten directies oppassen met top-down werken. Binnen reformatorische scholen blijkt dit momenteel veel spanning te geven. Laat iedereen meedenken in de stap van klassikaal naar gedifferentieerd onderwijs. Leerkrachten werken in het spanningsveld om zowel de groep als de individuele leerling optimaal te bedienen. Differentiëren helpt deze spanning wellicht verlichten, maar neemt die niet weg. Daarom is er absoluut hulp nodig in de klas. Meer handen in de klas is nog belangrijker dan kleinere klassen. Directies moeten alles willen doen om dat mogelijk te maken.

Laten we geen te grote doelen stellen; elke stap vooruit is al grote winst voor onze kinderen en onze teams. Laten we op de muren van onze scholen zetten: Hier heeft elk kind het recht op ongelijke behandeling! Maar niet ten koste van alles.

De auteur is oud-algemeen directeur van de Eliëzer- en Obadjaschool voor speciaal onderwijs in Zwolle en nu eigenaar van een coachingsbedrijf. Dit artikel is een samenvatting van een lezing die hij hield op een conferentie in Zjitomir (Oekraïne).