Steef aan John: Zonde is levensbedreigend

Briefwisseling homoseksualitieit
RD-hoofdredacteur Steef de Bruijn. beeld RD, Anton Dommerholt

De bij het Reformatorisch Dagblad gevoegde flyer van Civitas Christiana leverde tal van reacties op. Dat resulteerde onder meer in een briefwisseling tussen John Lapré en RD-hoofdredacteur Steef de Bruijn. Deel 6 (slot).

Beste John,

Tjonge, na twee keer je brief te hebben gelezen, ben ik nog steeds van slag over dat schokkende voorbeeld dat je noemt: een dominee die zegt dat „alle homo’s naar de hel” gaan. Ik durf te hopen dat je dat niet uit betrouwbare bron hebt of dat het een zeldzaam incident is. Maar ook in dat laatste geval is het een gruwelijke uitspraak waar ik me plaatsvervangend voor schaam.

Ik wil er wel voor pleiten voorzichtig te zijn met het trekken van algemene conclusies uit dit soort voorbeelden (en de uitspraken die je in de vorige brief noemde). Want: ja, het is zeker denkbaar dat er ambtsdragers zijn die zo denken. De afgelopen weken heb ik verschillende ouders gesproken die me vertelden hoe eenzaam, gekwetst of depressief hun kind was, kennelijk omdat het zich niet veilig voelde. Maar: nee, ik kan me haast niet voorstellen dat dit het gangbare denkpatroon in reformatorische kring is.

Toch wil ik me er niet te gemakkelijk van afmaken. Ik maak even een sprong van dit voorbeeld naar je hoofdvraag. Ik lees die als: Pas op met absolute uitspraken over zaken waarin de Bijbel niet klip-en-klaar antwoord geeft en laat dan de liefde het hoofdgebod zijn.

Ik ben het daar in principe mee eens en in contacten met andersdenkenden handel ik ook vaak zo. Dit spanningsveld tussen waarheid en liefde is geen onoverbrugbare kloof, geen moeras waarin wij vast hoeven te lopen. Terecht noem jij het voorbeeld van Jezus, Die de hand uitstak naar Zacheüs. Denk ook aan die Samaritaanse vrouw. Jezus, de Waarheid zelve, vond niemand vies en zou bovengenoemde uitspraak niet in de mond nemen. Bij Hem stond de liefde voorop, ook ten opzichte van degenen die door de religieuze leiders van destijds werden verguisd. Eerder noemde ik in dit verband het voorbeeld van een overspelige vrouw die op heterdaad betrapt was en door farizeeën bij Jezus werd gebracht.

Je verlangt van mij dat ik over die brug heen stap en ook jou de hand reik. Dat wil ik zeker doen. Maar ik kan er dan niet onderuit dat in ons gesprek je relatie aan de orde komt. Laten we het eens omkeren: stel je voor dat je bij die ontmoeting in mij een ernstige karakterzonde ziet, hoogmoed bijvoorbeeld. Dat is een zonde die God haat en die doodwaardig is (Spr. 8:13, Rom. 1:32) en veel vaker in de Bijbel genoemd wordt dan homoseksualiteit. Het zou dan toch uiterst liefdeloos van jou zijn als je me wel de hand reikt, maar me niet bestraft, me niet oproept tot bekering en me niet aanspoort om verzoening te zoeken in het bloed van de Zaligmaker? Dat doet Jezus bij die vrouwen. En van Zacheüs lezen we dat hij spontaan aangeeft hoe hij zijn leven zal beteren.

Ja, zeg je natuurlijk: daar kom je weer, je blijft mijn relatie zonde noemen en je denkt dus toch de waarheid aan jouw zijde te hebben. John, ik heb van ons gesprek geleerd om nog voorzichtiger te zijn. Ik heb me voorgesteld wat ik in zo’n gesprek zou zeggen tegen de wijze en godvrezende koning Salomo. Zonder twijfel is hij in de hemel, maar er is ook geen twijfel over dat hij met zijn harem en het dienen van hun afgoden inging tegen Gods instelling van het huwelijk. Nehemia veroordeelde hem postuum (13:26). Het zou dus liefdeloos van mij zijn om hem niet de waarheid te zeggen. Ik zou erbij zeggen dat het alleen Gods genade is die mij persoonlijk daarvoor heeft bewaard en dat ik in mijn gedachten op dit punt minstens zo zondig ben als Salomo. Maar ik zou in zo’n gesprek nooit durven zeggen: „Alle mensen met meer dan één vrouw gaan naar de hel.”

John, we kennen ten dele. Er zijn geen winnaars in deze briefwisseling. Ik ben nog voorzichtiger geworden, zei ik, maar dat geldt ook ten aanzien van de zonde, omdat die zo levensbedreigend is. Wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem. Deze tekst uit Johannes 3 herinnert me aan een radio-interview waarin me op de man af gevraagd werd of ik geloofde dat alle homo’s naar de hel gaan. Mijn antwoord was afgeleid van diezelfde tekst: „Wie in de Heere Jezus Christus gelooft, heeft het eeuwige leven, en dat gun ik elke homo.”

Met vriendelijke groet,

Steef de Bruijn, hoofdredacteur Reformatorisch Dagblad