Sartre heeft geen troost voor Beslan

„Keer op keer explodeerde het ideaal van het humanisme. En in de 21e eeuw zal het er niet beter op worden. Dat heeft de wreedheid in New York, Darfur en nu weer Beslan en Jakarta aangetoond.” - Foto EPA EPA

Beslan! Waren dit mensen? De filosoof en antihumanist Sartre geloofde in de realiteit van het onuitroeibare kwaad. Maar hij reikte niet de radicale remedie aan die Paulus doorgaf, signaleert ds. L. W. van der Meij

.

De woede van een begin deze maand in Beslan door Tsjetsjenen gegijzelde moeder: „Dit waren geen mensen” (RD 6-9), geeft te denken. Kun je nog van mensen spreken als je de wreedheid van de rebellen in de gymzaal van Beslan hebt ondergaan?

Volgens de apostel Paulus („Een afschuwelijke man”, beet een Amsterdamse geleerde mij eens toe) is juist wreedheid kenmerk van het menselijk geslacht. Niemand uitgezonderd. Juist van mensen kun je gruwelen verwachten: „Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten. Vernieling en ellendigheid is in hun wegen” (Romeinen 3). Vooral in intellectuele, humanistische gelederen is Paulus eeuwenlang veracht en bespot.

Maar deze „afschuwelijke man” krijgt bijval uit onverwachte hoek. Onlangs las ik van Jan-Kees Karels (RD 2-6) een recensie van de jongste biografie over de Franse filosoof Jean-Paul Sartre.

Ik schafte het boek aan. Sartre is volgens de Franse auteur van het boek, Bernard-Henri Lévy, het einde van het humanisme. Mensen zijn niet goed, maar vooral bijzonder slecht. Van mensen kun je alles verwachten. Sartre op de lijn van Paulus.

Opstand van Sartre
Lévy vraagt in zijn boek nieuwe aandacht voor de verguisde en vergeten Sartre en zijn antihumanisme. Hij prijst Sartre voor zijn ontmaskering van het eeuwenlang geprezen humanisme, dat, heel paradoxaal, zelfs tot de ergste rampen in de wereld kan leiden. De 21e eeuw zal met de realiteit van de wreedheid van de menselijke soort meer dan ooit rekening moeten houden.

De door velen in de tweede helft van de 20e eeuw aanbeden en tegelijk verguisde Sartre komt in opstand tegen de in humanistische kringen levende opvatting dat het kwaad een ziekte is die goed te behandelen en te genezen is. Veel te lang hebben volgens Sartre intellectuelen en wonderlijk genoeg ook despoten zich fel verzet tegen het dogma van het radicale kwaad in de mens, wat onder meer door de grote theoloog Augustinus is beleden en beschreven. Die „oeroude vloek die op de mens drukt” is altijd een doorn in het oog van de humanisten geweest. En nog. Maar Sartre gelooft juist wel in de realiteit van het onuitroeibare kwaad. Hij is eigenlijk een modern gnosticus, een manicheeër, die ervan uitgaat dat twee tegenstrijdige principes, goed en kwaad, de wereld besturen. Goed en kwaad zullen altijd blijven, welke pogingen humanisten ook ondernemen om het kwaad in de mens uit te roeien. Het kwaad zal zich nooit met het goede verzoenen. „Hij gelooft dat er in de wereld, en in de mens, een duister onoplosbaar deel zit dat je onmogelijk mooier kunt maken dan het is”, aldus Lévy over Sartre. Hij noemt dat de theologische, de „vrome” kant van Sartre.

Volgens Sartre is de mens een mislukkeling en een wolf onder de wolven. En dat is hem door velen niet in dank af genomen. Maar voor Sartre is deze visie de meest authentieke, de reëelste, de eerlijkste. Humanisten kunnen het wel vergeten dat deze wereld ooit te verbeteren is. Sartre beweert „dat er nooit en nergens een programma zal zijn dat in staat is de wereld uit haar zondeval op te tillen en van haar ongenade te genezen.” Hij komt tot deze stelling op grond van concrete waarnemingen.

Posthumanisme
Zoals gezegd, Sartre gelooft niet in een ziekzijn van mensen dat met intellectuele en humanistische opvoeding of zo nodig met concentratiekampen te genezen is. Met zijn ’geloof’ in de onmogelijkheid om met menselijke middelen het kwaad uit te roeien, komt Sartre heel dicht bij Paulus en theologen als Augustinus en Luther. En gaat hij dieper dan de Roomse Kerk, die het ook steeds maar weer over „zieke” mensen heeft.

Volgens Lévy is Sartre de laatste der humanisten en de eerste van de posthumanisten. Ook Lévy is naar zijn zeggen blij bevrijd te zijn van de waan en de betovering van het jarenlang dominante humanisme. Het humanisme is schijn. Het is zelfs uitermate wreed in zijn allerlaatste consequenties.

Sartre heeft zich vooral na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog losgemaakt van een oude Franse filosofische traditie die de wereld wil idealiseren, bekransen en betoveren. De invloed van Nietzsche en zijn aanklacht tegen de „humanitaire sentimentaliteit” spelen hierin ook een voorname rol.

Heel boeiend is de visie van Sartre en Lévy dat de beruchtste totalitaire bewegingen van de 20e eeuw, nazisme en stalinisme, in wezen niet anders zijn dan de gruwelijke uitlopers van het humanisme. Het zijn niet zonder meer barbaarse uitbarstingen geweest van naakt geweld en laaghartige knechting. De massale en buitensporige moordpartijen van de totalitaire bewegingen zijn eigenlijk de uiterste consequenties van het veelgeprezen humanisme. Want wat wil het humanisme? „Juist!” zegt Lévy, „het wil een nieuwe mens maken.” Maar dat heeft dan ook als gevolg dat men schoon schip moet maken met de oude mens, om op de puinhopen van de oude mens de nieuwe mens te laten opstaan.

Virus
De oude mens is voor Hitler en de nazi’s de Jood! En de nieuwe mens is de Germaan, de Ariër, de Übermensch. De droom van het nazisme was die van een nieuwe wereld. De bedoeling was „om de wereldgeschiedenis opnieuw te laten beginnen.” Aan dat ideaal moesten vele miljoenen mensen worden opgeofferd. De wereld verbeteren, desnoods met Auschwitz en Goelag. Volgens een onverbiddelijk ’logisch’ mechanisme moesten de Joden, de verpersoonlijking van het kwaad, verdwijnen. De wereld kon genezen worden, maar dan moest wel jacht gemaakt worden op de bacil, het virus, het schadelijke insect dat de Jood is. Wij zijn goed. Zij zijn slecht.

Dat heeft geleid tot het fiasco van het humanisme. Lévy noemt Sartres kritiek op het humanisme een aanwinst voor ons denken. Ik deel in zekere zin die mening. En ook dat wij niet meer terug kunnen naar de oude humanistische idealen van verbetering van de mens en van de wereld. De feiten liegen er niet om. De 20e eeuw is een eeuw van wreedheid en verschrikkingen geworden. Keer op keer explodeerde het ideaal van het humanisme. En in de 21e eeuw zal het er niet beter op worden. Dat heeft de wreedheid in New York, Darfur en nu weer Beslan en Jakarta aangetoond.

Inderdaad, het zijn juist mensen die deze verschrikkingen op hun geweten hebben. Al of niet gedekt door de vlag van ideologie en religie. En met Lévy deel ik ook de mening dat het progressieve denken, dat vooral in de revoluties van 1968, met zijn flowerpower en studentenopstanden, gestalte kreeg, en dat steunde op dezelfde vooronderstellingen als het fascisme en het communisme, geen heil biedt aan de 21e eeuw.

Dicht bij Paulus
Lévy kiest met Sartre voor het antihumanisme. Er is geen plaats meer voor het geloof in de goede mens, de waan van fascisten, stalinisten of moslimfundamentalisten. Het kwaad zit niet in de ander, het kwaad zit in ieder mens. „Bij de allergrootste smeerlap zijn nog lichtpuntjes van heiligheid en bij de allerheiligsten zijn nog sporen van slechtheid te vinden”, volgens Sartre.

Daarmee komt hij dicht bij Paulus, en trouwens bij heel de Schrift. Dicht bij. Meer niet. Sartre is en blijft een modern gnosticus, met zijn visie van de eeuwigdurende tegenstelling tussen goed en kwaad. Sartre heeft de sleutel niet gevonden die mensen bevrijdt uit de kerker van reus Wanhoop. Dat heeft de moderne tijd ook bewezen.

Lévy geeft ook eerlijk toe dat Sartre in de tweede helft van zijn leven zijn sympathie voor het marxisme in Rusland en Cuba en voor het maoïstische China niet onder stoelen of banken heeft gestoken. Zelfs een zekere mate van geweld niet schuwde, als het kon leiden tot bevrijding van onderdrukte mensen. Ook Sartre is zo in zekere zin niet consequent en dus toch nog ’humanist’ gebleven. Actie voeren voor een betere wereld! Vrijheid voor de gewone man, de nietswaardigen.

Sartre, de eerste antihumanist. Juist mensen zijn tot alles in staat. Het is de winst van de filosofie van Sartre dat hij dit duistere gegeven heeft ingezien. Maar een oplossing is er niet. Bij Sartre geen Evangelie. Paulus noemt dat Evangelie een reddende kracht. Een kracht, in het Grieks: dunamis. Het kwaad is niet op te lossen met dynamiet, maar alleen met de dynamiek van het Woord in de hand van de Geest.

Sartre is antihumanist. Paulus is meer. Hij weet van de kracht van de goddelijke liefde, die in Christus is geopenbaard aan een vijandige wereld. Tot verzoening en vernieuwing en een volmaakte verlossing. Christus: het begin van de nieuwe schepping. Zo ver is Sartre niet gekomen.

Lévy propageert de antihumanistische visie van Sartre als de reëelste voor de 21e eeuw. Maar met de diagnose van het onuitroeibare kwaad zijn wij er nog niet. Bij Sartre moet je dus niet zijn voor echte genezing. Wat mij betreft hoeft Sartre niet mee in de koffer van de 21e eeuw, zoals Lévy graag zou zien. Wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is. En dat zegt meer dan Sartre.

De auteur is christelijk gereformeerd predikant in Driebergen.