Reformatorischen en evangelischen kunnen niet meer zonder elkaar

„De kenmerkende blijmoedigheid van de evangelische kerken is nauw verbonden aan de leer dat je als gelovige zeker kan zijn van je behoud.” beeld Niek Stam

De reformatorische kerken weten maar weinig van de evangelische gezindte, vindt dr. Miriam Staal-Cuppen, opgegroeid in een baptistengemeente. En onbekend maakt onbemind. Daarom geeft ze een kleine lekenschets.

”Evangelicals” is het Engelse containerbegrip voor de groep christenen die behoren tot een behoudende kerk. Van alle termen om mezelf te positioneren in het christelijk landschap is deze term waarschijnlijk het meest nauwkeurig. Ik ben opgegroeid in een baptistengemeente, en heb mij tot mijn 25e voornamelijk binnen het evangelische kerklandschap bewogen. Tijdens mijn studie kwam ik mijn reformatorische man tegen en we sloten ons samen aan bij een reformatorische kerk. Naast de niet-onderhandelbare eis van een Bijbelse prediking had onze keus voor onze huidige kerk nog twee redenen: de aanwezigheid van leeftijdsgenoten voor onszelf en onze kinderen en een liturgie die aansloot bij onze geloofsbeleving.

Na bijna twaalf jaar belijdend lid van een reformatorische kerk te zijn, kan ik zeggen dat ik houd van zowel evangelische als reformatorische kerken. Sterker nog, ik zie meer wat zou moeten binden dan wat zou kunnen scheiden. Het artikel ”Voor een korte kick de kerkbank in” van 6 oktober in het lijfblad van mijn schoonvader bevreemdde mij dan ook zeer. Gelukkig bleek het een vervolg op een mooi gebalanceerd stuk over grote evangelische kerken. Maar uit het artikel zelf sprak helaas weer gebrekkige kennis over het evangelisch kerklandschap en zijn theologie, die ik ook tegenkom in mijn eigen reformatorische kring. Daarom een kleine lekenschets van de evangelische gezindte.

Gemeenschapszin

Helaas wekten beide artikelen de indruk dat er in Nederland enkel een paar grote evangelische gemeenten zijn, die hun leden afsnoepen van de grote zee aan protestantse (en specifiek reformatorische) gemeenten. De waarheid is dat de evangelische gezindte, net als de reformatorische, bestaat uit een grote hoeveelheid kerken door het hele land met ledenaantallen van enkele tientallen tot enkele honderden, en dus ook enkele grotere. Mijn ervaring is dat in deze kleinere gemeentes de gemeenschapszin vaak groot is, groter dan in grotere kerken ongeacht hun gezindte. Ook sociologisch valt het te verwachten dat gemeenschapszin meer samenhangt met kerkgrootte dan met gezindte. In groepen tot tachtig personen is gemeenschapszin het eenvoudigst te bewaren.

Het evangelisch kerklandschap in Nederland, en daarmee doel ik grofweg op al die kerken in Nederland die hoofdzakelijk de gelovigendoop in plaats van de zuigelingendoop praktiseren, is minstens zo divers en verdeeld als zijn reformatorische evenknie. De kerk van de Nazarener Vlaardingen lijkt bijvoorbeeld ongeveer net zo veel op de Levende Steen Spijkenisse als de Nederlands gereformeerde kerk De Lichtboog in Houten lijkt op een oud gereformeerde gemeente.

Lokaal

Een groot verschil tussen de twee gezindten is dat evangelische kerken minder sterk landelijk georganiseerd zijn. Het concept ”landelijke synode” was mij twaalf jaar geleden compleet vreemd. Er wordt met name op lokaal niveau samengewerkt en over het algemeen wordt de raad van ouderlingen van de lokale gemeente geacht de leer in de kerk te bewaken.

Maar dit verschil is voor een oppervlakkige bezoeker nauwelijks merkbaar. Sterker nog, ik heb het voorrecht gehad om zowel de kerk van de Nazarener Vlaardingen als De Lichtboog in Houten te bezoeken en zag vooral veel, heel veel overeenkomsten. De belangrijkste overeenkomst? Zowel de evangelische als de reformatorische kerken houden zich vast aan de sola’s en de Apostolische Geloofsbelijdenis: alleen door genade, alleen op grond van kruis en opstanding van Christus, alleen door het Woord van God, alleen door geloof kan een mens behouden worden. Veel evangelische gelovigen wantrouwen juist de Protestantse Kerk Nederland vanwege de in hun ogen vele vrijzinnige gemeentes in dit kerkverband.

Het vooroordeel dat (evangelische) megakerken wel weinig aandacht zullen hebben voor theologie in hun preken, sluit niet aan bij de feiten. Ten minste vijf van de negen megakerken in Nederland worden geleid door predikanten met een theologische opleiding. De evangelische gezindte oriënteert zich daarbij op behoudende theologen, zoals Ch. H. Spurgeon, D. L. Moody, O. Chambers en Ph. Yancey.

Verrast

Reformatorische christenen die ik spreek, zijn regelmatig verrast door de behoudende leer in de evangelische gezindte. Maar het ontbreken van orgel en psalm- of gezangenboek zorgt niet automatisch voor het ontbreken van een leer van bekering en levensheiliging. In tegenstelling tot wat ds. De Heer beweert, zijn bekering van zonde en levensheiliging cruciaal in de leer van de evangelische kerken. Vanaf mijn jongste jeugd hoorde ik bijvoorbeeld met grote regelmaat de oproep tot bekering in kerkelijke bijeenkomsten en werd ik uitgenodigd het zondaarsgebed uit te spreken.

Een belangrijk verschil tussen de evangelischen en de reformatorischen is natuurlijk de uitverkiezingsleer. Ik vermoed dat er rond dit thema over en weer veel misverstaan wordt. Als evangelische leek begreep ik altijd dat de uitverkiezingsleer botweg zegt dat God sommige mensen voor de hel heeft voorbestemd en sommige voor de hemel, en dat je als mens aan deze kant van de eeuwigheid nooit zeker kunt weten tot welke groep je behoort. Deze versie van de uitverkiezingsleer ben ik tot mijn opluchting de afgelopen twaalf jaar in de reformatorische kerken niet tegengekomen.

De kenmerkende blijmoedigheid van de evangelische kerken is nauw verbonden aan de leer dat je als gelovige zeker kunt zijn van je behoud, omdat dat volledig afhankelijk is van het volmaakte zoenoffer van Jezus Christus, en niet van jezelf. Evangelischen gebruiken het woord ”bekering” voor de passende reactie van de gelovige op het aanbod van genade van God. „Indien je in je hart gelooft dat Jezus Heer is, en met de mond belijdt dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zul je behouden worden.” Het ”met de mond belijden” is zo essentieel dat niet alleen de bediening van het avondmaal, maar ook die van de doop voorbehouden is aan hen die het geloof met de mond hebben beleden: eerst tijdens de bekering –bij voorkeur door het uitspreken van het zondaarsgebed– en later ten overstaan van de raad van ouderlingen en ten slotte voor de volledige gemeente voorafgaand aan de doop. In de meer ‘bevindelijke’ evangelische (lees pinkster- en charismatische) kerken heerst de verwachting dat God Zelf het bekeringsmoment bevestigt door een ervaring die ”doop in de Heilige Geest” wordt genoemd en die herkend kan worden door het ontvangen van de gaven van de Geest (meestal specifiek het spreken in tongen).

Conservatief

De nadruk op levensheiliging komt onder andere tot uitdrukking in de conservatieve ethiek die in de meeste evangelische kerken gangbaar is: pro life, anti-euthanasie, alleen seks binnen het huwelijk, niet samenwonen, antihomohuwelijk, en zeer terughoudend qua echtscheiding, ivf, het gebruik van voorbehoedsmiddelen, genetische manipulatie en stamcelonderzoek. Verder zijn trouw kerkbezoek en geen vrouwen in het ambt eerder regel dan uitzondering. Ja, deze ethiek wordt in de meeste evangelische kerken in alledaagse taal gebracht, maar de preken en ethiek zijn zeker gefundeerd op het ”sola Scriptura”-principe. Het was met name deze herkenning van nadruk op levensheiliging en op het sola Scriptura die mij in eerste instantie thuis deed voelen in de reformatorische kringen.

Ik droom er ondertussen van dat evangelicals in Nederland, van de evangelische en de reformatorische gezindte, elkaar steeds meer gaan vinden. We kunnen namelijk niet meer zonder elkaar in de seculiere maatschappij waar we in leven, buiten de Biblebelt noch daarbinnen.

De auteur is meelevend lid van de christelijke gereformeerde kerk Menorah te Zaandam, gepromoveerd bestuurskundige en eigenares van een adviesbureau op het terrein van integratie en duurzaamheid.