Poggius’ brieven te gemakkelijk weggezet als fictie

Theoloog J. N. Mouthaan concludeert te gemakkelijk dat de brieven van Poggius over de veroordeling van Johannes Hus fictie zijn, reageert ds. L. H. Oosten.

„Van het begin tot het eind ijdel bedrog en grove leugen.” Dat zijn volgens de heer Mouthaan zelf grote woorden. Inderdaad, want het geldt hier een bewering op grond van losse veronderstellingen en niet van deugdelijke argumenten. Er is op het bovenstaande artikel dus ook nogal wat af te dingen.

Wat moeten we bijvoorbeeld met een opmerking als „dat tegenwoordig wordt aangenomen” dat de uitgever J. G. Munder van de Stuttgarter Stadt-Glocke, die in 1845 de brieven van Poggius publiceerde, zelf de redacteur en schrijver van dit dagblad was? Wat dus de wankele suggestie oproept dat deze uitgever dan ook de brieven van Poggius „waarschijnlijk”(!) zelf maar verzonnen heeft.

Dat historische bronnen soms met elkaar in strijd zijn, is iets wat wel vaker voorkomt en dus ook al niets zegt over de eventuele authenticiteit van deze brieven. De uitgever van 1846 maakt melding van een eerste gedrukte uitgave in 1523. Volgens Eiselein en Schaff kan dat niet kloppen, daarentegen kan dat volgens de historicus Smith heel goed wel het geval zijn, ook al is zo’n eerste editie „tot nu toe” nog niet gevonden. Wie heeft er nu gelijk?

Schaff noemt als reden voor de onechtheid van de brieven onder andere het feit „dat de Duitse bisschoppen tegen het doodvonnis stemden.” Volgens Poggius echter stemden de meeste Duitse bisschoppen er juist vóór. Overigens: waarom zouden er in Duitsland ook geen hervormingsgezinde bisschoppen kunnen zijn?

Hoe zwak klinkt dan ook de conclusie van Mouthaan dat „vooralsnog” de onechtheid van de brieven zeker zou zijn en dat een 16e-eeuwse herkomst „onwaarschijnlijk” is. Kortom, het blijft alles nog maar suggestieve veronderstelling. Men lette op zulke woorden zoals: aangenomen, tot nu toe, vooralsnog, onwaarschijnlijk, onzeker.

Daartegenover staat het historisch vaststaande feit dat Poggius als pauselijk legaat op het concilie daadwerkelijk aanwezig is geweest –en niet zoals Mouthaan schrijft: de schrijver „moet gedacht hebben” dat hij er ook wel bij geweest zal zijn– en dat hij de beide ketterprocessen tegen Johannes Hus en Hiëronymus van Praag heeft bijgewoond.

De authenticiteit van zijn brieven betreffende Hiëronymus staat vast. Dat maakt het bepaald niet onaannemelijk dat hij ook de veroordeling van Hus heeft beschreven. Merkwaardig is het tenminste wel dat Poggius’ brieven over de veroordeling van Hus zowel als die van Hiëronymus in 1957 samen in één band zijn uitgegeven door Friedrich Bahn Verlag te Konstanz. Dat zou dan een combinatie van fictieve en authentieke brieven zijn?

Samenvattend: Mouthaan heeft met zijn stuk niets aangetoond. Wil men wetenschappelijk iets poneren, dan heeft men toch echt meer nodig dan gissingen en veronderstellingen. Hooguit kan men concluderen dat er onderzoekers zijn die ter zake hun vragen hebben, zonder dat er duidelijke antwoorden beschikbaar zijn.

De auteur is hervormd emeritus predikant te Driesum en samensteller van het boek ”Johannes Hus veroordeeld. Ontroerend ooggetuigenverslag” (Apeldoorn, 2011).