Pleidooi voor Sinaiticus zet Statenvertaling op het spel

Dr. Pieter J. Lalleman. Foto RD, Anton Dommerholt Anton Dommerholt

Het gewicht dat dr. Lalleman toekent aan de Codex Sinaiticus (RD 10-3) is niet zonder gevolgen, stelt prof. dr. Benno Zuiddam.

Volgens dr. P. Lalleman moeten de breed overgeleverde manuscripten van de Schrift wijken voor enkele handschriften die het label kwaliteit krijgen. Kwaliteit gaat boven kwantiteit, stelt hij.

Als voorbeeld van oude kwaliteit noemt Lalleman de Codex Sinaiticus. Een dergelijke keuze is echter niet waardevrij. Er zijn flinke gevolgen verbonden aan het omarmen van de Sinaiticus als gezaghebbend.

Als de Sinaiticus betrouwbaar is, komt de Statenvertaling op losse schroeven te staan. Wie deze codex aanvaardt als kwalitatief superieur, verwerpt namelijk de handschriften die ten grondslag liggen aan deze vertaling.

Daar kunnen uiteraard goede redenen voor zijn, maar het is wel belangrijk om te beseffen dat men na een keuze voor de Sinaiticus niet kan overgaan tot de orde van de dag.

Als de Sinaiticus gezaghebbend is, moet de Bijbel worden uitgebreid. Het Nieuwe Testament telt volgens de Sinaiticus namelijk ook de brief van Barnabas en de Herder van Hermas. De inhoud van beide boeken is bedenkelijk. Sprak Abraham Grieks? Daalde de Christus-Geest pas op Jezus neer tijdens Zijn doop?

Daarbij komt de vraag wat voor christendom de oorspronkelijke schrijvers van de Sinaiticus aanhingen. Een van de duidelijkste voorbeelden van afwijkingen in de oorspronkelijke Sinaiticus is de weergave van Johannes 1:18: „Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard” (SV). De oorspronkelijke versie van de Sinaiticus heeft daar „de eniggeboren God.”

Een dergelijke formulering past prima bij de ontstaanstijd en de vermeende achtergrond van de codex. Een context waar de meerderheid van het christendom ariaans was en ook de gnostiek haar invloed deed gelden.

Behalve op de inhoud is er ook op de vermeende kwaliteit van de Sinaiticus heel wat af te dingen. Kenners zijn het erover eens dat vier verschillende groepen correctors aan de tekst van de codex hebben gesleuteld. De laatste ‘correctieronde’ vond vermoedelijk in de twaalfde eeuw plaats.

Konstantin von Tischendorf –hij ontdekte de codex in de negentiende eeuw– gaf zelf al aan dat er ongeveer 15.000 (!) verbeteringen en afwijkingen in de Sinaiticus zijn terug te vinden. Daarvoor waren volgens hem ten minste tien verschillende auteurs verantwoordelijk. Veel zinnen zijn tweemaal overgeschreven, of opnieuw begonnen en dan gestopt. Dat is geen kwaliteit, maar een zooitje, ook in paleografische termen.

Ik kan me geheel vinden in de vaststelling van Lalleman dat het met de tekst van het Nieuwe Testament wel goed zit. Het is het best overgeleverde boek ter wereld, maar niet dankzij de Codex Sinaiticus.

Overigens, de Sinaiticus toont wel aan dat de Vroege Kerk de apostel Paulus zag als de auteur van de Hebreeënbrief. In de codex volgt Hebreeën als een onomstreden epistel van Paulus na de tweede brief aan de Thessalonicensen.

De auteur is hoogleraar Nieuwe Testament, Grieks en kerkhistorie aan de North West University in het Zuid-Afrikaanse Potchefstroom en predikant van de Presbyterian Church of Australia.