Piëtisten willen niet denken

Essays Spruyt
„Theologen en gelovigen die als ‘piëtistisch’ te boek staan, en dus het grote belang van persoonlijke vroomheid (”pietas”) benadrukten, waren vaak ook denkers. Voetius is het grote voorbeeld.” Foto: Het Academiegebouw van de Universiteit Utrecht, de universiteit waar ook Voetius docent was. beeld ANP

Als de verticale relatie met God het belangrijkst is, en dat is zo, ontslaat ons dat nog niet van de verplichting om vanuit het geloof de grote vragen te doordenken. Anders scheppen we leegtes waarin een zielloos pragmatisme zich kan nestelen.

Onlangs was ik op een bijeenkomst waar ik voor het eerst EO-coryfee Henk Binnendijk (1934!) hoorde spreken – een vol uur lang, warm en geïnspireerd, zonder briefje en zonder haperen, en alle aanwezigen (ikzelf incluis) luisterden ademloos.

Hij zei geen dingen die hij elders al niet eerder heeft gezegd. Hij sprak warm over Israël, en zag de huidige malaise in Europa als een straf van God op de Holocaust. Hij benadrukte vooral het grote belang van de verticale relatie met God. God vraagt dingen van ons die wij niet kunnen. Als een beeldhouwer hakt God in ons leven er zo alles af wat niet Christus is. We willen God ons leven wel geven, maar hopen vervolgens vooral dat Hij het daarna heel laat. Maar zo gaat dat niet. God bréékt het brood.

Ten opzichte van deze verticale relatie is al het andere secundair. Niet onbelangrijk, maar als de verticale band met God er niet is, zijn al onze plannen ijdel (ook onze huidige fascinatie voor ‘duurzaamheid’), en als die band er wel is, volgt de rest vanzelf.

Er viel, om het eens ouderwets te formuleren, beslag op zijn toehoorders, en de discussie, waarin immers zo veel mis kan gaan, werd dan ook behoedzaam aangegaan. Maar zelfs dat ging goed.

Nieuwe stroming

Wat had ik nu meegemaakt? vroeg ik me later af. Henk Binnendijk lijkt mij iemand die vanaf 1976 (toen hij bij de EO in dienst trad en daar naam maakte als interviewer en presentator van de EO-Jongerendag) dezelfde is gebleven, anders dan de EO. Het huidige reilen en zeilen van deze omroep kan hij niet anders dan met enig gevoel van vervreemding gadeslaan. Het schijnt dat hij tegelijkertijd binnen reformatorische kring, zo hier en daar, steeds welkomer is als gastspreker. Is dit een symptoom van een nieuwe, evangelisch-reformatorische stroming, die zich nadrukkelijk aandient?

Een tweede vraag drong zich aan mij op. Binnendijk benadrukte zozeer de verticale lijn dat vragen over de praktijk van het leven, de onderwijspraktijk bijvoorbeeld, bijna irrelevant worden, of in ieder geval erg gerelativeerd. Goed onderwijs? Dat hangt van de persoon van de docent af, zo zei Binnendijk. Kent hij God, leeft hij met God? Dan komt het goed. Als hij God niet kent, kun je hem een boel boeken laten lezen en cursussen laten volgen, maar dan wordt het nooit wat.

Dat de persoon van de docent beslissend is, geloof ik ook en van harte. Maar kunnen we daarna niets meer zeggen?

Voetius

Ik realiseerde mij ineens dat dit evangelisch-reformatorische geloof uiteindelijk vooral erg piëtistisch is. Het woord ”piëtistisch” gebruik ik hier dan niet in de historische betekenis van het woord. Theologen en gelovigen die als ”piëtistisch” te boek staan, en dus het grote belang van persoonlijke vroomheid (”pietas”) benadrukten, waren vaak ook denkers. Voetius is het grote voorbeeld. Hij bepleitte een houding waarin de vroomheid met de wetenschap wordt verbonden, om te zinspelen op de titel van zijn Utrechtse inaugurele rede uit 1634.

Maar hedendaagse piëtisten lijken veel minder geïnteresseerd in een geloof dat niet alleen ervaart maar ook inzicht zoekt. Zij kunnen of willen niet denken. En daarmee, zo lijkt het althans, zijn zij ook niet zo geïnteresseerd in een geloof dat doordenkt hoe dat geloof gestalte krijgt in, bijvoorbeeld, de lespraktijk van alle dag. Hoe we bij alle vakken vensters op de hemel kunnen openen. Dat vraagt om enig denkwerk.

Is het overdreven om hier een gevaar te signaleren? Loopt iemand die het belang van het doordenken van de onderwijspraktijk vanuit het geloof bijna weg relativeert, niet het gevaar dat hij een vacuüm creëert waarbinnen vervolgens heel veel trends zich kunnen nestelen?

Ik bedoel het volgende. Zowel ‘linkse’ (evangelisch-reformatorische) piëtisten als ‘rechtse’, ‘zware’ piëtisten blijken er in de praktijk moeite mee te hebben om dualisme te vermijden en het onderwijs vanuit het geloof in te vullen. Er zitten daar allerlei theologische bezwaren in de weg. Tegelijk blijkt er dan geen grote bereidheid te bestaan –of blijkt er onvoldoende kritische zin aanwezig– om allerlei trends die zich aandienen, vanuit het geloof te pareren.

In de praktijk kan dat in pragmatisme uitmonden. De eisen van de overheid en de verlangens van de markt (de grote concurrentieslag) bepalen dan structuur en inhoud van het curriculum. En daarna gaan we nog eens kijken of er binnen die structuren enige ruimte overblijft voor onze identiteit. Als de grondslag formeel maar overeind blijft, als de leraar maar bekeerd is.

Dood in de pot

Zou het niet zo kunnen zijn dat zich hier een alternatief aandient dat uiteindelijk niet meer dan de dood in de pot biedt? Blijft het niet de taak van reformatorische instellingen om de inhoud van de lessen vanuit het geloof te doordenken en dat toe te vertrouwen aan docenten die dat geloof van harte onderschrijven?

De nadruk op de verticale lijn en op een formele grondslag kunnen tot een gemakzucht leiden die uiteindelijk de doodssteek van onze scholen zal blijken. Wat we nodig hebben, zijn brandende harten die kunnen en durven denken.

Dr. Bart Jan Spruyt doceert cultuur en maatschappij aan Driestar hogeschool in Gouda en kerkgeschiedenis en apologetiek aan het Hersteld Hervormd Seminarie aan de VU in Amsterdam.