Onopgeefbaar verbonden met Israël

beeld RD, Henk Visscher

”De kerk kan prima zonder Israëltheologie”, kopt een manifest van ds. Jan Offringa, predikant van de protestantse gemeente in Wijk bij Duurstede en gewezen voorzitter van de beweging Op Goed Gerucht binnen de Protestantse Kerk. We voelen ons aangesproken, want geraakt, reageren dr. Theo van Campen, dr. Jan van der Graaf, dr. Wim Verboom, ds. Jan A. W. Verhoeven en drs. Piet J. Vergunst.

Enkele steekwoorden uit het manifest: Net als „de meeste andere religies” verdient het jodendom „een onbedreigde plek onder de zon.” En de dialoog tussen joden en christenen vraagt „een warm hart.” Geen „verjoodsing” van het christendom. „Naast een theologische is ook een politieke positiebepaling vandaag verhelderend.”

62603673„Handhaaf onopgeefbare verbondenheid met volk Israël”

Herkenning en verwantschap geven geen voldoende reden „om Israël een aparte plaats te geven in een al dan niet liberale theologie.” Zo’n aparte plaats is niet alleen onnodig „maar ook dubieus.” „Het suggereert een onderlinge afhankelijkheid die er niet meer is.” Het is ook goed om onder ogen te zien dat je op Romeinen 9-11 geen Israëltheologie kunt bouwen. En ook getuigt het van moed „om het apocalyptisch denkraam van Paulus los te laten.” De kans is gering dat de eindtijd ophanden is. De stichting van de staat Israël in 1948 is daar zeker geen voorbode van. Voor de volledige tekst zie liberaalchristendom.nl.

Offringa trekt dan de volgende conclusie: „Voor zover ik weet, doet het jodendom niet aan ‘kerktheologie’. Op zijn beurt kan het christendom prima zonder Israëltheologie. Ongetwijfeld komt dat de onderlinge verhouding en het wederzijds respect ten goede. Dit betekent voor de Protestantse Kerk dat ze haar toch al vage kerkordeartikel kan schrappen. Daar zou ik voor zijn. Een beter voorstel is misschien om dit artikel uit te breiden en te concretiseren. Dan kan de kerk aangeven zich niet alleen met de joodse maar ook met andere religieuze tradities verbonden te weten. Daarmee laat zij de strijdbijl tussen de godsdiensten uit haar handen vallen, in de hoop die ooit samen voorgoed te begraven. En als concrete invulling kan de kerk zich verbinden aan een onopgeefbare strijd tegen antisemitisme en elke vorm van discriminatie op grond van ras en geloof. Zowel in eigen huis als wereldwijd.”

Tijdbom

Met dit manifest heeft Jan Offringa opnieuw een tijdbom gelegd onder het belijden van de Protestantse Kerk aangaande haar verhouding tot Israël. Hij is gelukkig al hard tegengesproken door een van zijn medegenoten van Op Goed Gerucht, dr. Eeuwout Klootwijk: „Zonder de joodse wortels van het christelijk geloof verliest de Protestantse Kerk haar identiteit (...) Een kerkorde-artikel afschaffen? Dat miskent een deel theologiegeschiedenis van de twintigste eeuw in Nederland en verandert het zelfverstaan van de Protestantse Kerk.” (Trouw 19-9.)

Ook anderen lieten zich niet onbetuigd. Dr. René de Reuver, scriba van de Protestantse Kerk, zei dat het manifest „uit de bocht vliegt” en sloot een synodale discussie over het kerkordeartikel uit. Dat noteren we met dankbaarheid. Maar daarmee is niet gezegd dat het niet op de synodetafel kán komen. Een van de ondertekenaars van het manifest, zelf synodelid, lijkt die mogelijkheid althans open te laten. Maar de kerk is meer dan een synode. Daarom laten ook wij een proteststem tegen dit manifest horen.

1. We zeggen: „opnieuw” een tijdbom onder de beleden „onopgeefbare verbondenheid” van de Protestantse Kerk met Israël. Terecht spreekt Offringa van „het toch al vage kerkordeartikel” in dezen. Die vaagheid is met name te wijten aan eerdere discussies. We roepen in herinnering het Kairosdocument (2009) dat die discussies wakker riep. Het resulteerde in een IPnota, ”Het Israëlisch-Palestijnse conflict in de context van de Arabische wereld in het Midden-Oosten”. Daarin werd, naast de „onopgeefbare verbondenheid” van de kerk met Israël, verbondenheid met de Palestijnen gestipuleerd; alsof de kerk met Palestijnen in een andere relatie staat dan tot welk ander volk dan ook in de wereld. Niet voor niets kreeg het manifest van Offringa direct bijval van de voorzitter van Kairos-Sabeel, de Nederlandse tak van de Palestijnse bevrijdingsbeweging.

2. De politiek kaapte de theologische bezinning inzake de verhouding van de kerk tot Israël. „Naast een theologische is ook een politieke stellingname vandaag verhelderend”, zegt Offringa. Inderdaad zéér verhelderend, maar dan voor zijn visie. Zo heeft de kerk al allengs afstand genomen van de landbelofte, ooit aan Abraham gegeven (Gen. 17:8). In de synodale „handreiking voor een theologische bezinning” ”Israël, volk, land en staat” (1970) werd de verbondenheid tussen volk en land onbekommerd beleden. Dat nu in de kerkorde volstaan wordt met het volk, is al een reductie. Dat Offringa nu de overgebleven stam ook nog wil omhouwen, geschiedt naar onze overtuiging om louter politieke redenen. Nergens heeft overigens de kerk een isgelijkteken geplaatst tussen land en staat. Maar wat is een volk in een land zonder een daarvan afgeleide staatkundige ordening?!

3. Ons grootste bezwaar tegen Offringa’s manifest moet zijn dat we elkaar niet voor het forum van de Schrift ontmoeten kunnen. In een handomdraai gaat de worsteling van Paulus omtrent de weg van God met Zijn volk (Rom. 9-11) van tafel. Daarmee geeft Offringa aan dat hij geen Bijbelse theologie aangaande Israël wil, maar een theologie die door politiek vooringenomen motieven wordt aangestuurd. Daarmee verdwijnt dan ook de unieke, Bijbels gefundeerde verbondenheid met louter het volk.

4. Wij belijden dat de christenheid en zo ook de kerk als een wilde tak is geënt op Israël als de tamme olijf (Rom. 11:17). En in het Nieuwe Testament wordt Christus veelvuldig met de naam Zoon van David geduid. Daar en zo ligt onze verbondenheid verankerd. Laten we die verankering los, dan zagen we de tak door waarop we als kerk zijn geplaatst. Dan verliest de kerk haar wezenlijke identiteit, die ze door de weeën van de twintigste-eeuwse geschiedenis heen, hoewel nog vaak aangevochten, had hervonden. Wij weten ons dan ook bepaald niet, zoals Offringa wil, „met andere religieuze tradities” als névenschikkend met de Joodse traditie verbonden.

5. Wel wil Offringa een „onopgeefbare strijd” tegen het antisemitisme. Dat lijkt mooi gezegd. Naar onze overtuiging kan zo’n onopgeefbare strijd echter niet zonder een beleden „onopgeefbare verbondenheid.” Het loslaten daarvan geeft in feite antisemitisme vrij spel. Vandaag kan zich dat nestelen in vijandschap tegen het volk in het land waar het zich een tehuis heeft herkregen.