Onderwijsbestel steeds meer ter discussie

In het kader van onze rechtsorde, die uitgaat van de gelijkheid van godsdiensten, zullen velen het onjuist vinden om moslimscholen onmogelijk te maken en christelijke scholen buiten schot te laten. Foto: islamitische basisschool El Habib in Maastricht. beeld ANP, Marcel van Hoorn

Nog niet zo lang geleden werd een eeuw onderwijspacificatie herdacht, maar hoe lang zal dit onderwijsmodel nog standhouden? In een geseculariseerde maatschappij staat religieus onderwijs duidelijk ter discussie.

De openbare school zoals die ruim twee eeuwen terug gestalte kreeg, was bepaald niet godsdienstloos. Die school moest tot „alle christelijke en maatschappelijke deugden” opleiden. Confessioneel onderwijs was taboe, maar een gebed tot God als het Opperwezen en de Alzegenaar kon ermee door.

In een kerkelijk verdeeld land (protestants en rooms-katholiek) zou de openbare school de nationale eenheid moeten bevorderen. „Maar hadden ze ook twee tempels / Eén school bezat de jeugd / Daar vormde een brave meester / Het hart tot zuiv’re deugd”, zo drukte een dichtende onderwijzer midden in de 19e eeuw het ideaal van de openbare school uit.

Schoolstrijd

Voor veel protestanten was de vaag-christelijke identiteit van die openbare school voldoende. Voor het orthodoxe deel lag dat wezenlijk anders. Dat leidde tot een tachtigjarige schoolstrijd.

Naarmate het kiesrecht uitgebreid werd, groeide de macht van de voorstanders van de christelijke school. Dat bracht in 1917 de onderwijspacificatie, waarbij de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs in de grondwet werd vastgelegd.

Bij de algehele grondwetsherziening van 1983 bleef dat grondwetsartikel nagenoeg ongewijzigd. Dat wees duidelijk op de gevoeligheid van ons onderwijsbestel. Inmiddels zijn we bijna veertig jaar verder. De secularisatie heeft ook in het onderwijs diepe sporen getrokken. Weliswaar hebben de christelijke basisscholen hun marktaandeel in belangrijke mate weten te behouden, maar zeker in het rooms-katholieke basisonderwijs stelt de confessionele identiteit nauwelijks meer iets voor.

Daarnaast zijn islamitische groepen (meestal van het fundamentalistische soort) gebruik gaan maken van de mogelijkheden die het Nederlandse onderwijsbestel bood. In 1917 was dat volstrekt nog niet in beeld. De onderwijsprestaties van deze scholen zijn niet altijd slecht, maar wat wordt de leerlingen verder bijgebracht? Gezien allerlei vormen van islamitisch terrorisme is het begrijpelijk dat velen bij die scholen een onbehaaglijk gevoel hebben.

Daarom vindt een duidelijke meerderheid van de bevolking confessionele scholen niet meer van deze tijd. Wie zijn kinderen godsdienstonderwijs wil laten geven, moet dat zelf maar betalen.

Daarbij wordt wel onderscheid gemaakt tussen christelijk en islamitisch onderwijs. Moslimscholen vinden bij slechts een kwart van de bevolking steun, christelijke scholen bij bijna de helft. Maar in het kader van onze rechtsorde, die uitgaat van de gelijkheid van godsdiensten, zullen velen het onjuist vinden om moslimscholen onmogelijk te maken en christelijke scholen buiten schot te laten.

In het bijzonder onderwijs zijn scholen met een uitgesproken confessioneel profiel duidelijk in de minderheid. Naast moslimscholen en reformatorische scholen heb je evangelische scholen en de vanouds vrijgemaakte scholen. Daarnaast is er een moeilijk af te bakenen groep protestantse scholen die toch nog wel hecht aan de christelijke identiteit. Maar voor het overgrote deel van de ouders die hun kinderen naar een rooms-katholieke of protestantse school sturen, is het geen groot verlies als die scholen zouden verdwijnen.

De achterban van de scholen met een uitgesproken confessionele identiteit omvat niet veel meer dan 10 procent van de bevolking. Daar kun je in de politiek geen vuist mee maken. Geen wonder dat ons onderwijsbestel steeds meer ter discussie staat.

Recent was het VVD-fractievoorzitter Dijkhoff, die in zijn bezinningsstuk over de koers van zijn partij ook de grondwettelijk vastgelegde vrijheid van onderwijs als discussiepunt opvoerde. Twee jaar geleden pleitte GroenLinks in het verkiezingsprogram voor herziening van het desbetreffende grondwetsartikel. Het Franse uitgangspunt van de ”laicité”, waarbij er sprake is van een strikte scheiding van kerk en staat, of beter gezegd van godsdienst en staat, vindt ook in Nederland steeds meer weerklank. Overheidsbekostiging van scholen met een godsdienstige identiteit is dan een ongerijmdheid.

Het onderwijs zou neutraal of algemeen moeten zijn en de leidende waarden van de samenleving moeten uitdragen. Bovendien zou een verzuild schoolbestel de segregatie bevorderen.

Overigens moet geconstateerd worden dat het probleem van de segregatie in het onderwijs zich met name voordoet tussen witte en zwarte scholen in stedelijke gebieden. Die scheidslijn houdt niet direct verband met de onderwijsdenominatie waartoe ze behoren. Bovendien geldt dat mensen de vrijheid hebben om hun eigen sociale milieu te kiezen. Ook als die keuze ingegeven wordt door hun godsdienstige oriëntatie.

Niet neutraal

Een openbare school is evenmin neutraal als een reformatorische. Seculier onderwijs is geen vanzelfsprekendheid, ook al sluit dat aan bij de levensbeschouwing van het grootste deel van de bevolking. Maar in hoeverre blijft er voor andersdenkenden ruimte om hun kinderen naar een school te sturen die aansluit bij de waarden die hun thuis worden bijgebracht? Een school die net als andersoortige scholen door de overheid bekostigd wordt.

Het huidige onderwijsbestel versterkt de maatschappelijke betrokkenheid van minderheden. Niet alleen bij het onderwijs, maar ook bij de samenleving als geheel. Over de kwaliteit van het reformatorische onderwijs hoeft de overheid niet bezorgd te zijn.

In het liberale mensbeeld (liberaal in brede zin) ligt echter sterk de nadruk op de keuzevrijheid. Zo moet ook het onderwijs erop gericht zijn om de leerlingen op te voeden om tot een zelfstandige keuze te komen. Dat is een ander mensbeeld dan het Bijbelse. Daarin gaat het primair om de goede keuze. Die moet de leerlingen met klem worden voorgehouden.

Hier is echt sprake van een botsing. Een belijnde godsdienstige opvoeding, waaraan de school wezenlijk bijdraagt, past niet meer in de postmoderne samenleving. Daarom roepen met publiek geld gefinancierde confessionele scholen steeds meer bezwaar op.

Daarbij moeten we wel bedenken dat, ook al zouden christelijke scholen (zoals elders ter wereld) in de toekomst uit eigen middelen worden betaald, de overheid ook dan vergaande eisen kan stellen aan de inhoud van het onderwijs. Trouwens, ook binnen het kader van het huidige onderwijsbestel is een aanscherping van de regels, ook op principieel gevoelige punten, mogelijk en niet ondenkbaar. Er is dus alle reden tot zorg.