Nodig: VOC-mentaliteit en calvinisme

De financiële crisis is nauw verbonden met de zelfontplooiingsideologie van de jaren 60, poneert dr. Govert Buijs. De crisis toont echter aan dat we in plaats van absolute vrijheid een VOC-mentaliteit en wat meer calvinisme nodig hebben.

In 1644 vindt in het Amerikaanse Boston een merkwaardig proces plaats. Beklaagde is Robert Keane, een zakenman van tot dan toe onberispelijke reputatie, volgens de boeken „een trouw belijder van het Evangelie.” Maar nu heeft hij een vreselijke misdaad begaan. Bij een bepaalde transactie is gebleken dat hij 50 procent winst genomen heeft.

Eigenlijk zou hij voor deze ernstige onbehoorlijkheid gestraft dienen te worden met excommunicatie, zo overweegt de rechtbank (die kennelijk wereldse en kerkelijke rechtbank ineen was). Maar Keane was tot dan toe eigenlijk altijd een nette man gebleken. Daarom volstaat een boete.

Maar Keane zelf vindt dat niet genoeg. Hij vraagt belet bij de kerkenraad en wil in het openbaar belijdenis van zijn zonden doen. Aldus geschiedt.

Maar daarbij krijgt hij het allemaal nog wel een keer flink voor de kiezen. De predikant trekt in een preek flink van leer tegen de verkeerde principes van de handel. Dat het je vrij zou staan om zo goedkoop mogelijk in te kopen en zo duur mogelijk te verkopen. Geheel verkeerd! De zonde van de hebzucht ligt voortdurend op de loer.

Lange tijd waren we geneigd een beetje te lachen om Robert Keane en zijn dominee. Immers, toen Robert Keane zijn woekerwinsten behaalde, handelde hij geheel als de homo economicus die vandaag in onze economieboekjes en op de businessschools gepropageerd wordt. En die dominee heeft niets begrepen van economie.

Maar het lachen is ons inmiddels vergaan. En als vanzelf kijken we daarmee anders naar Robert Keane en zijn dominee. Immers, economie is hier wezenlijk verbonden met moreel handelen, met solidariteit. Woekerwinst doorbreekt deze solidariteit. En hoe graag zouden we zien dat onze bankiers net als Keane boete deden, niet voor falend beleid, maar voor een falende moraal.

Vertrouwen

De achtergrond van deze visie in Boston is waarschijnlijk te vinden in Calvijn en via hem verder terug in het denken van de christelijke traditie over geld, bezit en handel. De kern van die visie is dat samenleven altijd samen leven is. Dat betekent niet dat mensen geen eigen handelingsruimte hebben, of geen eigen bezit of eigen belang mogen nastreven, maar wel dat het belang van de ander altijd onderdeel is van mijn eigen belang. Als ik daarvan kan uitgaan, kan ik in goed vertrouwen economisch handelen.

Dit vertrouwen is –zo brengen economen en sociologen de laatste tijd weer met veel kracht door naar voren– is de kern van een goed functionerende markteconomie. Laat ik dat nog iets verder uitwerken aan de hand van Calvijn. Calvijn spreekt op een heel verfrissende manier over de economie.

Mensen zijn heel verschillend, met heel verschillende talenten, aldus Calvijn. Daarom hebben ze elkaar nodig en zijn ze zelfs voor elkaar geschapen. De markt is de plaats waar die heel verschillende talenten bij elkaar komen. Deze stelt mensen in staat elkaar met hun talenten te dienen. De markt-economie is daarmee primair een uitdrukking van de solidariteit tussen mensen.

De laatste jaren kwamen we echter in het bedrijfsleven hoe langer hoe meer mensen tegen voor wie dat heel anders ligt en voor wie winstmaximalisatie het allesbeheersende doel is. Het maakt hun niet uit of ze nu hamburgers verkopen of hypotheken of zorgminuten – alles is kwantitatief te maken en dus in geld meetbaar. Men lijkt er alleen er op uit te zijn de eigen beloning te maximaliseren: bonussen, gouden handdrukken, optieregelingen, buitenschaalse salarissen enzovoort.

Het probleem hierbij is dat we in een economische orde waarin ”individuele winstmaximalisatie” als hoogste drijfveer gepropageerd wordt, niet meer zeker kunnen zijn van wat iemand bij zijn beslissingen motiveert: het belang van het bedrijf, het belang van de klant, of het eigen belang (op korte termijn)?

Wat zit hierachter? Wat we de laatste jaren wereldwijd gezien hebben, is de opkomst van de economie van de jaren 60, de economie van de studenten-revolutie. Op het eerste gezicht is dat een nogal absurde bewering. Die lieve, linkse wereldverbeteraars, die geitenwol prefereerden boven de stropdas, en liever macrobiotische boontjes dan kaviaar aten, hebben zij iets te maken met de opkomst van het neoliberalisme en de internationale graaicultuur?

Nu zijn die geitenwol en die boontjes niet zo’n probleem. Maar wat tegelijk in de jaren 60 met de paplepel naar binnen ging, was de idee van absolute vrijheid. De antiautoritaire opvoeding was hiervan het trieste hoogtepunt: een mens heeft geen grenzen nodig, laat iedereen zich van jongs af aan vrij en alzijdig ontwikkelen.

Nieuwlinksers

Binnen tien jaar na de studentenrevoluties, wanneer de aanstichters daarvan beginnen door te dringen in verantwoordelijke posities (in Nederland de nieuwlinksers) begint ook een nieuw fase in het internationale kapitalisme. Dat kan nauwelijks toeval zijn. Kenmerkend voor die fase is de absolute vrijheid.

Het is niet alleen de fase van het antiautoritaire opvoeden, maar ook van het ‘antiautoritaire’ kapitalisme. De handelaren in aandelen, putopties en callopties, in ”futures” en wat niet al, weten steeds iedereen onder de pet te praten dat elke regel, elke inperking van hun absolute vrijheid de groei van dat mooie, de wereldeconomie, schade doet. Ondertussen begint deze nieuwe generatie van lieverlee te graaien wat men graaien kan: een wel heel schrille toepassing van dat ooit zo verheven begrip ”zelfverwerkelijking”. Deze vrijheidsideologie heeft monsters gebaard.

Tegen deze achtergrond blijkt dat de financiële crisis in hoge mate een morele crisis is. Ze is nauw verbonden met de zelfontplooiingsideologie van de jaren 60. Zorg dat jij je maximale potentieel realiseert, maar hoe anderen hierin een rol spelen, is pas een tweede vraag. De nadruk ligt op individuele vrijheid ten koste van solidariteit.

Die zelfontplooiingsideologie leidt in het bedrijfsleven tot een groot onderling wantrouwen. Hoe weten we dat iemand nog wel netjes zijn of haar werk doet? Hoe weten we dat iemand in de drang naar zelfontplooiing niet de kantjes er af loopt? Er moet dus gemeten worden! Vanaf begin jaren 80 worden in allerlei bedrijven en instellingen grootschalige meet-instrumenten en meetprocedures opgetuigd. Het ”maximale potentieel” werd –en dat is het grote verschil met de jaren 60– vanaf de jaren 80 vooral kwantitatief-financieel geduid. We kunnen niet vertrouwen op iemands besef van eigen kwaliteit van het werk, het moet gemeten en geëvalueerd worden in cijfers.

Vervolgens gaan mensen zich van de weeromstuit ook weer hoe langer hoe meer op die cijfers richten: een zichzelf versterkende spiraal van uitwendige kwantificering. Alleen zo krijg je erkenning. En die erkenning is weer nauw verbonden met de bankrekening.

De productie wordt aangejaagd, winstcijfers gaan omhoog, waarbij de meetperiode hoe langer hoe korter wordt. Jaarresultaten worden halfjaarresultaten worden kwartaalresultaten. Op die termijn moet de groei zichtbaar zijn. Zelfontplooiing wordt: op korte termijn geld verdienen. Kwaliteit is voor losers, kwantiteit is waar het om gaat.

Rijnlandse model

Speelt kwaliteit dan geen enkele rol meer? Ook daarvoor wordt een oplossing ontwikkeld: om de kwantificering weer enigszins te compenseren komen er eindeloze kwaliteitsbewakingsprocedures, certificeringen et cetera. En als men dan ook hier weer goed scoort, krijgt men weer een bonus. En dus doet men alles om goed te scoren, en zo gaat het door.

Er is dus een kwantitatieve economie ontstaan die op geen enkele manier meer verbonden is met de morele gekwalificeerde economie waar Calvijn over sprak. Anderen dienen met jouw talenten heeft plaatsgemaakt voor anderen zien als middel, als gelegenheid om productie te scoren.

De financiële crisis is echter ook een grote kans om het economische systeem eens grondig tegen het licht te houden. Nadat in de loop van de jaren 70 en 80 de grote discussie over een staatsgeleide versus een vrije markt (communisme versus kapitalisme) ten einde was, kwam er kort een andere discussie op, namelijk over welk type kapitalisme het meest wenselijk was.

De twee hoofdkandidaten waren het Angelsaksische model (waarin aandeelhouderswaarde centraal staat en een volledig gedereguleerde markt) en een Rijnlands model (waarin stakeholderswaarde centraal staat, met daarin een duidelijke kaderstellende rol van de overheid). In het Angelsaksische model is de solidariteit geheel overgelaten aan de toevallige goedwillendheid van individuen. In het Rijnlandse model is er een substantiële organisatie van de solidariteit.

In deze discussie zullen maatschappelijke partners en instellingen een belangrijke rol moeten spelen. We zullen opnieuw onze begrippen over wat een rechtvaardige en goed functionerende economie is moeten herijken en dat debat is veel te belangrijk om over te laten aan economen.

Wat nodig is, is een VOC-mentaliteit. De verwijzing naar de VOC is natuurlijk zwaarbeladen sinds we ons bewust geworden zijn van de immoraliteit van slavenhandel, kolonialisme en uitbuiting. Maar toch, zelfs van een onrechtvaardige rentmeester is nog wel iets te leren. Toen de premier enkele jaren terug opriep tot een ”VOC-mentaliteit” had hij het oog op durf, op risico nemen, op robuust ondernemerschap, geen Jan Saliementaliteit.

Risicospreiding

Uiteraard was dat een element van de VOC. Maar volgens historicus Herman Pleij stond de VOC niet voor woest ondernemerschap, durf en boven-matige risico’s. Het basisidee van de VOC is een gans andere, aldus Pleij.

Als iemand in één scheepsexpeditie investeert, en het schip vergaat, is al het geld verloren. Maar als tien mensen in tien schepen beleggen, en er vergaan er drie, maakt men toch nog winst op de andere zeven. Dat is de kern van de VOC-mentaliteit: natuurlijk, ondernemerschap, maar wel verstandig, met inschatting en tijdige erkenning van risico’s, en daarop gebaseerd een verstandige risicospreiding.

Een pleidooi voor een nieuwe VOC-mentaliteit is daarmee een pleidooi voor de financiële voorzichtigheid die het Nederlandse bankwezen in feite al eeuwen kenmerkt. Banken dienen voor alles betrouwbaar te zijn. Misschien is de corporatievorm van de Rabobank wel het model van de toekomst in plaats van het verleden.

Natuurlijk valt er, zoals gezegd, op de VOC heel wat af te dingen, juist ook in morele zin. Daarom ook een pleidooi voor een opnieuw doordenken van die calvinistische notie van wat een markt is: een uitdrukking van solidariteit tussen mensen, waarin we wederzijds elkaar dienen met onze eigen kwaliteiten. Misschien moeten we weer wat calvinistischer worden.

De auteur is universitair docent sociale en politieke filosofie aan de Vrije Universiteit en coördinator van de internationale masteropleiding Christian Studies of Science and Society. Dit artikel is een samenvatting van zijn bijdrage aan de bundel “Christendemocraten over de kredietcrisis”, die vandaag verscheen.