Nederlandse lutheranen ontwikkelden overlevingsstrategie

De Amsterdamse lutherse gemeente kreeg de mogelijkheid om twee publiekelijk zichtbare kerken te bouwen: de Oude Lutherse Kerk (1633) en de Nieuwe of Ronde Lutherse Kerk (1671). Foto: Oude Lutherse Kerk. beeld Sjaak Verboom

Kenmerkend voor het lutheranisme in Nederland zijn onder meer de internationale invloeden en de voortdurende pendelbeweging tussen authentiek blijven en zich aanpassen, betoogt prof. dr. Sabine Hiebsch.

De ontwikkeling van het lutheranisme in de Nederlanden kent een heel ander verloop dan die in Duitsland en Scandinavië. In deze landen werd het lutheranisme door de overheid ingevoerd. In de Habsburgse en later Spaanse Nederlanden en vervolgens in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden waren lutheranen vanaf het begin een religieuze minderheid onder een niet-lutherse overheid.

De Nederlanden hoorden bij de eerste gebieden buiten de Duitse landen waar Luthers gedachtegoed circuleerde. Dat gebeurde via de lijnen die liepen tussen Wittenberg en Antwerpen, dat daardoor de bakermat werd van het Nederlandse lutheranisme.

Met name het augustijnenklooster in Antwerpen was een centrale schakel. Dit klooster werd in 1513 gesticht en hoorde bij dezelfde Saksische congregatie als het klooster van Luther in Wittenberg. Broeders die in Wittenberg studeerden, brachten de nieuwe theologie mee naar Antwerpen en Luther was via hen goed op de hoogte van de ontwikkelingen in en rond het Antwerpse klooster.

In 1522 werden de broeders door de inquisitie gearresteerd en werd het klooster gesloten. Twee van hen, Hendrik Voes en Jan van Esschen, werden op 1 juli 1523 op de Grote Markt in Brussel als ketters verbrand: de eerste martelaren van de lutherse reformatie.

De sluiting van het klooster was een tegenslag, maar betekende niet het einde van de aanwezigheid van Luthers gedachtegoed in Antwerpen en de Zuidelijke Nederlanden. Er waren groepen die zich specifiek met de ideeën van Luther verbonden voelden. Zijn gedachtegoed maakte ook deel uit van een bredere stroom van hervormingsideeën waarmee mensen zich afzetten tegen de officiële katholieke leer.

Tijdsvertraging

In tegenstelling tot de gereformeerden en de doopsgezinden, die zich rond het midden van de 16e eeuw in ondergrondse gemeenten organiseerden, kwam het bij de lutheranen pas tussen september 1566 en april 1567 –het zogenaamde wonderjaar (of rampjaar, bezien vanuit een katholiek perspectief)– tot gemeentevorming.

Van de predikanten en theologische adviseurs die benoemd werden om de gemeente te leiden, was Matthias Flacius Illyricus (1520-1575) de bekendste en invloedrijkste. Flacius’ rol in Antwerpen illustreert een van de kenmerken die typerend zijn voor het Nederlandse lutheranisme, namelijk dat de ontwikkelingen gebeurden met een tijdsvertraging ten opzichte van de ontwikkelingen in de Duitse landen, het oorsprongsgebied van de lutherse reformatie. Het Nederlandse lutheranisme zat als het ware in een andere tijdzone.

Flacius was het boegbeeld van de orthodoxe groep die na Luthers dood met de aanhangers van Philipp Melanchthon (1497-1560) streed om Luthers erfenis en de juiste interpretatie van diens theologie.

In de Duitse landen had Flacius die strijd al verloren; hij was in 1561 zelfs door de universiteit van Jena als hoogleraar ontslagen. Maar in Antwerpen kon hij alsnog samen met een aantal geestverwanten zijn theologie in de praktijk brengen. In het wonderjaar ontstonden de Antwerpse Confessie (1566) en de Antwerpse Agenda (1567). Daarmee werden in deze betrekkelijk korte periode structuren geschapen die in de opstartfase van het lutheranisme in de Republiek tot aan het begin van de 17e eeuw kenmerkend bleven.

Gedoogd

Na de val van Antwerpen (1585), toen Alexander Farnese, hertog van Parma (gouverneur-generaal van de Spaanse Nederlanden, 1578-1592), de stad terugbracht onder een katholiek bewind, verplaatste het Nederlandse lutherse leven zich naar de noordelijke gewesten, waar geleidelijk de Republiek ontstond. Amsterdam werd de leidinggevende lutherse gemeente in de Republiek.

In de gewesten die zich bij de opstand tegen Spanje hadden aangesloten, werd de kwestie van de religie in artikel XIII van de Unie van Utrecht (23 januari 1579) geregeld. Hierin werden vrijheid van geweten en vrijwaring van vervolging omwille van het geloof gegarandeerd.

De gereformeerde kerk werd de bevoorrechte, publieke kerk, met de meeste rechten, financiële ondersteuning door de overheid en de grootste zichtbaarheid. Andere religieuze groepen, zoals doopsgezinden, lutheranen, joden, remonstranten en ook de katholieken, werden als minderheden gedoogd. De mate van tolerantie verschilde per gewest en was ook niet voor iedere minderheid gelijk.

Holland werd dankzij de maritieme ligging en de hoge urbanisatiegraad het (invloed)rijkste gewest van de Republiek. Amsterdam nam in alle belangrijke opzichten de vooraanstaande positie van Antwerpen over en werd het middelpunt van de Gouden Eeuw.

De positie van de stad is terug te zien in de Amsterdamse lutherse gemeente. Zij werd de leidinggevende lutherse gemeente (in financieel, organisatorisch en theologisch opzicht) en bleef dat, ondanks pogingen tot tegenwerking van de andere lutherse gemeenten, tijdens de gehele periode van de Republiek.

Kerkgebouwen

Het succes van Amsterdam demonstreert op treffende wijze dat tolerantie, ondanks alle filosofische en theologische discussies, vooral een dynamische, pragmatische zaak was. Artikel XIII van de Unie van Utrecht bood de noodzakelijke theoretische basis voor tolerantie en liet tegelijk ruimte voor interpretatie. Vrijheid van geweten betekende niet vrijheid van openbare godsdienstuitoefening. Toch bleek in de praktijk dat het wel degelijk mogelijk was om over de mate van publieke religieuze ruimte te onderhandelen. Het was een kwestie van geven en nemen.

De Amsterdamse lutherse gemeente leverde dankzij haar invloedrijke internationale contacten, zoals met de koningen van Denemarken en Zweden en met Duitse vorsten, en dankzij het feit dat een deel van haar leden tot de elite behoorde, een belangrijke bijdrage aan de economische groei van de stad. Het resultaat was de mogelijkheid om twee publiekelijk zichtbare kerken te bouwen: de Oude Lutherse Kerk (1633) en de Nieuwe of Ronde Lutherse Kerk (1671).

De publieke religieuze ruimte van de lutheranen in Amsterdam was duidelijk groter dan die van andere religieuze groepen in de stad (behalve de joden) en groter dan die van lutherse gemeenten elders in de Republiek.

Toch was de prominente positie van de Amsterdamse lutheranen onder de getolereerde minderheden geen van tevoren vaststaand feit, maar het resultaat van een zwaar bevochten ontwikkelingsproces. Veel weerstand kwam, vooral in het begin, van gereformeerde predikanten, deels dezelfden met wie al in Antwerpen de theologische degens waren gekruist. Het flaciaanse erfgoed vormde een duidelijk struikelblok.

Met de al in Antwerpen op dat terrein opgedane ervaring ontwikkelden de lutheranen een overlevingsstrategie die ik als een pendelbeweging wil omschrijven. Zij probeerden aan de ene kant zo veel mogelijk vast te houden aan wat zij als authentiek luthers hadden gedefinieerd. Aan de andere kant kozen zij op bepaalde momenten bewust voor aanpassing aan de dominante gereformeerde omgeving. Deze strategische pendelbewegingen zijn een typerend kenmerk voor het Nederlandse lutheranisme.

Internationale invloeden

De groei van de Amsterdamse lutherse gemeente werd in hoge mate bevorderd door het feit dat de stad in de Gouden Eeuw een trekpleister voor migranten en handelaren was. Velen van hen kwamen uit de Duitse landen en uit Scandinavië, waar het lutheranisme allang een gevestigde confessie was. Maar ook de lutheranen die vanuit Antwerpen naar Amsterdam waren getrokken, kwamen oorspronkelijk van heinde en verre.

De internationale invloeden in de lutherse gemeente zorgden ook voor spanningen, met name toen vanaf de tweede en de derde generatie delen van de gemeente vernederlandsten. Maar ook na de Gouden Eeuw, toen Amsterdam zijn vooraanstaande positie aan steden als Londen moest afstaan en de migratiestromen vrijwel stagneerden, bleef met name de invloed vanuit Duitsland groot. Dat kwam vooral doordat nog aan het einde van de 17e eeuw het merendeel van de predikanten in Nederlandse lutherse gemeenten uit Duitsland afkomstig was.

Daarnaast gingen lutherse theologiestudenten van Nederlandse bodem aan Duitse lutherse faculteiten studeren. Lutherse vorsten in Duitsland en Scandinavië hadden lutherse universiteiten gesticht, of in het geval van Kopenhagen heropend, om een gedegen academische vorming van de lutherse predikanten te waarborgen. Zonder een lutherse overheid was dat in de Republiek niet mogelijk.

Omdat de gereformeerde theologische faculteiten aan de universiteiten in Leiden (1575) en Franeker (1585-1811) niet als een optie werden beschouwd, besloot de Amsterdamse kerkenraad in 1661 dat toekomstige lutherse predikanten in Duitsland gestudeerd moesten hebben. Daarnaast werd er bij belangrijke theologische kwesties advies gevraagd aan Duitse theologische faculteiten. Deze internationale invloeden, die niet alleen in de formatieve jaren een rol speelden, maar op allerlei manieren blijvend van aard waren, beschouw ik ook als typerend kenmerk van het Nederlandse lutheranisme.

Scheuring

In 1791, vier jaar voor het einde van de Republiek, kwam er een scheuring in de lutherse gemeenschap, waardoor in Amsterdam de Hersteld Evangelisch-Lutherse Gemeente ontstond. Een aantal Nederlandse gemeenten sloot zich hierbij aan. Samen waren zij als fraterniteit met elkaar verbonden.

De voor het Nederlandse lutheranisme typerende kenmerken ”tijdsvertraging” en ”buitenlandse invloeden” speelden een cruciale rol bij de scheuring in de lutherse gemeenschap en het ontstaan van de Hersteld Evangelisch-Lutherse Gemeente. Dat had te maken met het feit dat toekomstige Nederlandse lutherse predikanten, totdat in 1816 in Amsterdam het Evangelisch-Luthers Seminarium werd gesticht, (voornamelijk) in Duitsland studeerden.

De verlichting veranderde de theologische denkbeelden aan veel lutherse theologische faculteiten in Duitsland. Nederlandse lutherse theologiestudenten die in Halle, Jena of Helmstedt studeerden, en niet in het toentertijd orthodoxere Wittenberg, brachten deze nieuwe, rationalistische, ‘verlichte’ denkbeelden mee naar Nederland en naar de gemeenten waar zij als predikant benoemd werden. De strijd die vervolgens ontstond tussen de aanhangers van nieuwe denkbeelden en degenen die vasthielden aan de bestaande opvattingen (de latere herstelden) werd uiteindelijk een beslissende factor in de scheuring.

Samen-op-Wegproces

In 1806 werd bij de constitutie van het Koninkrijk Holland bepaald dat alle kerken gelijke behandeling zouden krijgen en dat de koning de organisatie daarvan in eigen hand zou houden. In het Koninkrijk der Nederlanden ontstonden vervolgens twee lutherse kerkgenootschappen: in 1818 werd het Algemeen Reglement voor de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden aanvaard, in 1835 dat van de Hersteld Evangelisch-Lutherse Kerk. Nadat eerdere pogingen mislukt waren, kwam het in 1952 tot een hereniging van beide kerken.

Ook nadat er volgens het Algemeen Reglement een lutherse synode was geïnstalleerd, die in 1819 voor het eerst bij elkaar kwam, bleef de lutherse gemeente in Amsterdam haar centrale positie houden, in ieder geval in de ogen van de andere lutherse gemeenten. Dit alles pleit ervoor om de gecentraliseerde positie van één enkele gemeente (in dit geval Amsterdam) ook als een typerend kenmerk voor het Nederlandse lutheranisme te beschouwen.

In 1985 besloot de synode van de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden deel te nemen aan het Samen-op-Wegproces van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland. Op 12 december 2003 namen de synodes van de drie kerkgenootschappen het besluit te fuseren en verder te gaan als de Protestantse Kerk in Nederland. Op 1 mei 2004 werd dit besluit geëffectueerd.

Definitiemacht

Dat de strategische pendelbeweging een terugkerend typerend kenmerk voor de Nederlandse lutheranen als religieuze minderheid is, zien we bijvoorbeeld ook in haar functioneren in de Protestantse Kerk in Nederland. De lutheranen zijn volwaardig onderdeel van deze kerk, met gelijke rechten en plichten. Dat is de theorie. Maar de praktijk blijkt regelmatig weerbarstiger.

Als de lutherse synode of lutheranen in kerkelijke commissies te duidelijk lutherse standpunten inbrengen, wekt dat al snel irritaties bij niet-lutheranen. De lutheranen wordt dan voorgehouden dat men nu één protestantse kerk is en dat confessionele verschillen niet meer beklemtoond hoeven te worden. Of, nog sterker, dat daarmee de kerkelijke eenheid zou worden tegengewerkt.

Nog los van de vraag of het kennen en benoemen van de eigen traditie en wortels de kerkelijke eenheid zou verstoren, ziet men daarbij vooral over het hoofd dat ”protestants” in dit land geen synoniem voor ”luthers” is, maar voor ”gereformeerd”. Of, in de context van de Protestantse Kerk in Nederland, voor ”hervormd-gereformeerd”. Net zoals ”evangelisch” in Duitsland geen synoniem is voor ”reformiert”, maar voor ”luthers”. De definitiemacht van de woorden ligt duidelijk bij de grootste groep.

Het resultaat zijn strategische pendelbewegingen tussen het wel of niet benoemen van lutherse standpunten. Dit blijkt, net als in de 16e en de 17e eeuw, nog steeds een hachelijke onderneming. Het wel of te vaak benoemen kan irritatie en benadeling tot gevolg hebben, het niet of te weinig benoemen maakt de lutherse traditie telkens onzichtbaar.

Vergrijzing

Hoe de toekomst van het Nederlandse lutheranisme als geleefde religie eruit zal zien, moet blijken. De Protestantse Kerk in Nederland ziet, evenals vele klassieke kerken, haar ledental dalen en vele lutherse gemeenten worden kleiner en vergrijzen. Dat maakt des te duidelijker dat het nodig is de kennis van Luthers theologie en de kennis van de Nederlandse lutherse geschiedenis en traditie niet op te sluiten in de lutherse gemeenschap en ook niet in de Protestantse Kerk in Nederland. Luther en de Nederlandse lutherse traditie horen thuis op de grote religieuze en culturele kaart van Nederland.

De auteur bekleedt als bijzonder hoogleraar de Kooiman-Boendermakerleerstoel voor Luther en de geschiedenis van het (Nederlandse) lutheranisme aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken. Dit artikel is een samenvatting van de inaugurele rede die zij op 29 juni uitsprak in de Bovenkerk in Kampen. Het oratieboekje is te downloaden via https://www.tukampen.nl/kalender/inauguratie-sabine-hiebsch. Ter gelegenheid van de inauguratie had ook de presentatie plaats van het boek ”Luther voor leken”, prof. dr. Sabine Hiebsch (Vuurbaak, Utrecht).