(Nadere) Reformatie kende ruime visie op echtscheiding en hertrouwen

Echtscheiding
beeld iStock

De traditie van Reformatie en Nadere Reformatie is ruimer geweest in de visie op echtscheiding en hertrouwen dan veel kerken in de gereformeerde gezindte nu zijn, betoogt dr. G. A. van den Brink.

Veel kerkenraden, gemeenten en kerkverbanden bezinnen zich op de vraag of gescheiden personen mogen hertrouwen. Echtscheiding neemt immers in ons land steeds meer toe, en de treurige gevolgen gaan de kerk niet voorbij.

Om onze bezorgdheid over deze ontwikkeling te onderstrepen, is het verleidelijk een antithetische houding aan te nemen: hoe meer echtscheiding en hertrouwen worden geaccepteerd in de samenleving, hoe kritischer de kerk moet zijn. Regelmatig leidt deze houding tot drie samenhangende beweringen: 1. Overspel is de enige Bijbelse grond voor echtscheiding. 2. Hertrouwen is alleen toegestaan als het eerste huwelijk vanwege overspel is ontbonden. 3. Wie om een andere reden dan overspel is gescheiden, moet ongetrouwd blijven.

De traditie van Reformatie en Nadere Reformatie is echter ruimer geweest in de visie op echtscheiding en hertrouwen dan veel kerken in de gereformeerde gezindte nu zijn. Het zou goed zijn als wij ons aansluiten bij de ruimte die zij in de Schrift zagen voor echtscheiding en hertrouwen.

Redenen

Allereerst is het belangrijk dat de Schrift expliciet twee redenen voor echtscheiding noemt. De eerste is overspel (”porneia”), genoemd in Mattheüs 19:9. De tweede is kwaadwillige verlating omwille van het geloof (”desertio malitiosa”), genoemd in 1 Korinthe 7:15. Paulus vermeldt dat Jezus alleen de eerste heeft genoemd (1 Kor. 7:10, „niet ik, maar de Heere [Jezus]”), en dat hijzelf nu aanvullend de tweede reden vermeldt (1 Kor. 7:10, „ik, niet de Heere [Jezus]”). De tweede reden wordt opgeroepen door de zendingssituatie van de gemeente in Korinthe, een situatie waarop Christus uiteraard in Zijn twistgesprek met de Farizeeën niet inging. De gedachte dat de Bijbel maar één grond voor echtscheiding en hertrouwen zou kennen, wordt dus door Paulus zelf ontkend. De Westminster Confessie erkent dan ook beide redenen als legitiem (Westminster Confessie, hoofdstuk 24, artikel 6).

Een tweede vraag gaat niet allereerst over de exegese maar over de hermeneutiek. Gaan de beide genoemde Schriftgedeelten slechts over twee concrete situaties, of gaat het om twee typen van situaties? In het laatste geval kunnen ook andere redenen (verwaarlozing, huiselijk geweld et cetera) worden beschouwd als Bijbelse gronden voor echtscheiding en hertrouwen.

Volgens sommigen zou met zo’n hermeneutiek de Schrift worden aangepast aan de eisen van onze tijd. Echter, in de reformatorische traditie is deze laatstgenoemde benadering de gangbare geweest. Sterker nog, er is in de (Nadere) Reformatie nauwelijks een uitzondering hierop te vinden.

Analogie

Theologen als Beza, Voetius, Amesius en de kanttekeningen bij de Statenvertaling hanteren de hermeneutische regel van de analogie. Dit houdt in dat Mattheüs 19 en 1 Korinthe 7 niet alleen gelden voor de concrete situaties van overspel en verlating, maar dat Jezus en Paulus twee typen situaties noemen. In de twee concrete situaties komen onderliggende, algemener geldende regels tot uiting. Naar analogie van de situaties in Mattheüs 19 (overspel) en 1 Korinthe 7 (verlating) zijn echtscheiding en hertrouwen dus ook in bepaalde andere situaties Bijbels geoorloofd.

Zij kwamen tot de analogieopvatting op grond van het geheel van de Schrift. Het zwaarste van de wet is immers geloof, barmhartigheid en een eerlijk oordeel (Matth. 23:23). Volgens hen heeft God de mogelijkheid van echtscheiding niet gegeven als straf voor de schuldige, maar als hulp jegens de onschuldige.

Een duidelijk voorbeeld van de analogieopvatting is te vinden bij Beza en Voetius. Zij verbinden 1 Korinthe 7:15 met 1 Timotheüs 5:8. 1 Korinthe 7 vers 15 zegt dat als een ongelovige de gelovige partner verlaat, de gelovige vrij is om te hertrouwen („niet dienstbaar, tot vrede geroepen”). 1 Timotheüs 5:8 zegt dat als iemand zijn huisgenoten niet verzorgt, hij erger is dan een ongelovige. Door beide verzen samen te lezen, concluderen Beza en Voetius dat echtscheiding en hertrouwen ook bij verwaarlozing of geweld zijn toegestaan.

Satans verzoeking

De gedachte dat echtscheiding soms wel toegestaan is maar hertrouwen niet, komt bij de genoemde gereformeerde schrijvers niet voor. Volgens hen geldt dat waar echtscheiding Bijbels gezien is toegestaan, hertrouwen geoorloofd is. Hierin speelt 1 Korinthe 7:8-9 een belangrijke rol: mensen die na echtscheiding (weer) ongetrouwd zijn, hebben de oproep te trouwen als zij de gave van onthouding niet hebben. Als zij ongetrouwd zouden moeten blijven, worden zij immers verplicht voor de rest van hun leven te blijven onder de verleiding tot hoererij (1 Kor. 7:2) en zijn ze vatbaar voor satans verzoeking (1 Kor. 7:5). In 1 Korinthe 7:27-28 gaat het volgens Matthew Poole mede over hertrouwen na echtscheiding. Hij acht de interpretatie geoorloofd: „Bent u gescheiden? Zoek geen vrouw. Maar ook wanneer u trouwt, doet u daarmee geen kwaad.”

De vaak genoemde ‘oplossing’ van scheiding van tafel en bed wijst John Owen af. Hij betoogt terecht dat deze juridische constructie in de Bijbel niet voorkomt, en door rooms-katholieke theologen is bedacht omwille van de rooms-katholieke opvatting dat het sacrament van het huwelijk onverbrekelijk is.

Het is goed als kerk weerstand te bieden tegen de seculiere tendensen van deze tijd. Maar daarbij heiligt het doel de middelen niet. Bijbels pastoraat aan gescheiden mensen mag niet lijden onder onze maatschappijkritiek. Laat de gereformeerde gezindte daarom de hermeneutische regel van de analogie erkennen inzake het vraagstuk van echtscheiding en hertrouwen. Dat suggereert niet dat we de Schrift aanpassen aan de eisen van de tijd, maar dat we gaan in de lijn van de (Nadere) Reformatie.

De auteur is predikant van de hersteld hervormde gemeente te Rotterdam Kralingse Veer.