Midden in het leven zijn we te midden van de dood

„Luther blijft niet steken bij de dreigingen van de lijfelijke dood. Hij peilt de ontzaglijke achtergrond van deze heftige verstoring.” beeld RD, Anton Dommerholt

„Mitten wir im Leben sind / mit dem Tod umfangen...” Dat zijn oude woorden. Ze vormen de beginregels van een van Luthers kerkliederen. Midden in het leven zijn we door de dood omvangen.

Het was in het jaar 1524 dat de reformator zijn dichtader rijkelijk liet vloeien. Tal van liederen verschenen er in en rond dat jaar van zijn hand. Waaronder dit dus. Het verhaal gaat dat de totstandkoming van dit lied een speciale, droeve aanleiding had: de verdrinkingsdood van een goede vriend, de nog jonge Wilhelm Nesen. Luther was er getuige van toen zijn lichaam uit het water gehaald en geborgen werd. Hoe dichtbij bleek de dood te zijn...

Midden in het leven zijn we door de dood omvangen. Ditzelfde besef dringt zich in deze weken aan velen op. Een mysterieus en tot dusver onbekend virus stak de kop op in het verre China, bleek zich even later vooral in het veel nabijere Italië te hebben genesteld en liet zich al heel snel gelden, ook in eigen land. Met inmiddels ook hier al vele tientallen doden. En als we afgaan op de inschatting van een deskundige viroloog, dan moeten we rekenen met getallen van 40.000 tot 80.000. Mensen voor wie het virus binnen enige tijd fataal zal zijn.

Van die velen kan ik er ook één zijn. Zou een mens daar niet angstig van worden? Hoe dichtbij kan de dood zijn. Midden in het leven zijn we door de dood omvangen...

„Het spook van de angst waart rond in Europa. Het schreeuwt om veiligheid, om bescherming tegen onzekerheid en onveiligheid. Overheden herkennen deze roep en doen hun uiterste best om de samenleving en haar burgers te beveiligen. Veiligheid is immers een voorwaarde voor (ons) samenleven.” Dit schreef dr. René de Reuver in 2017 in zijn Woord vooraf in het essay ”Heilige strijd” van prof. Beatrice de Graaf. Toen ging het om het kwaad van geweld in de samenleving.

De woorden van toen krijgen een nieuwe lading. Nu is het niet „het verderf dat op de middag verwoest”, maar eerder „de pestilentie die in de donkerheid wandelt” (Psalm 91). Niet een luidruchtige maar een stil aansluipende vijand. Voor je het weet, ben je er het slachtoffer van.

Ik ga nog even naar Luther. In het genoemde lied greep hij terug op een oude Latijnse antifoon: ”Media vita in morte sumus” (”Midden in het leven zijn we te midden van de dood”). Het is in allerlei dreigende situaties gezongen, dit gezang uit het Romeinse brevier, de eeuwen door. In de middeleeuwen was het vooral de pest die de volken in Europa bedreigde.

Als Luther aan het herdichten slaat, blijft hij echter niet steken bij de dreigingen van de lijfelijke dood. Hij peilt de ontzaglijke achtergrond van deze heftige verstoring. „Uns reuet unsre Missetat / die dich, Herr, erzürnet hat.” Hem verschrikt vooral de zonde, en de aanvechting van de hel. Maar zo komt er plaats voor Gods genade. In ziekte en in lijden. In leven en in sterven. „Dein Barmherzigkeit!”

In Mark Ruttes toespraak deze week was helaas elke verwijzing naar God afwezig. „We moeten dit met elkaar doen. Samen komen we deze moeilijke periode te boven.”

Maarten Luther riep een Ander te hulp. „Heiliger, barmherziger Heiland, / du ewiger Gott, / lass uns nicht versinken / in des bittern Todes Not. Kyrieleison.”