Mensenrechten 1F’ers onvoldoende gewaarborgd

Stempel 1F: vermeende oorlogsmisdadigers
De Nederlandse ambassade in Kaboel, de hoofdstad van Afghanistan. beeld ANP ANP

Het Nederlands asiel­beleid inzake 1F-vluchtelingen moet op de schop, stelt Bas Wallage. Hij pleit voor een gerichte, meer individuele aanpak.

Met het uitzetten van Feda Amiri naar Afghanistan is het debat over de toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag weer aangewakkerd. Op grond van artikel 1F worden vermeende oorlogs­misdadigers uitgesloten van de Nederlandse asielprocedure. Het is natuurlijk begrijpelijk dat oorlogs­misdadigers niet welkom zijn in Nederland. Maar het is de vraag hoe je hen kunt herkennen.

Sinds eind 2014 zet Nederland Afghaanse vreemdelingen die worden uitgesloten van de asiel­procedure op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag daadwerkelijk uit. Aangezien de familieleden van deze 1F’ers dan al vaak zijn genaturaliseerd, ontstaat een groot dilemma. Mogen vreemdelingen die onder het artikel vallen bij hun familie worden weggehaald en worden uitgezet op basis van hun mogelijke oorlogs­verleden? Dat is wat Feda Amiri overkwam.

Mijns inziens is dit dilemma echter niet de kern van het probleem. De kernvraag is: op basis waarvan heeft de Nederlandse regering tientallen jaren geleden geconcludeerd dat een vreemdeling oorlogs­misdaden heeft gepleegd? Zijn deze mensen in hun land van herkomst strafrechtelijk veroordeeld en staat hun schuld vast? Aan het uiterlijk van een vreemdeling die in Nederland asiel aanvraagt, kun je immers niet zien of hij oorlogsmisdaden heeft begaan.

Participatietesten

In een asielprocedure wordt bekeken of een vreemdeling recht heeft op opvang in Nederland. Een vreemdeling heeft dit recht indien hij vlucht voor vervolging in zijn land van herkomst. Een vreemde­ling die zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden, is begrijpelijkerwijs niet welkom.

In Nederland toetsen wij de betrokkenheid van de vreemdeling bij oorlogsmisdaden op basis van zogenoemde participatietesten. Bij deze testen wordt gekeken of de vreemdeling persoonlijk een bijdrage heeft geleverd aan mensenrechtenschendingen. Een prima uitgangspunt. De vraag blijft echter op basis van welke informatie Nederland de betrokkenheid van de vreemdeling baseert.

In Nederland onderbouwt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de betrokkenheid van de vreemdeling bij oorlogsmisdaden voornamelijk met algemene ambtsberichten. Deze ambtsberichten bevatten bijvoorbeeld informatie over bepaalde landen en organisaties. Zo bestaat er een ambtsbericht uit 2000 over Afghanistan waarin staat vermeld dat iedereen die tijdens het communistische regime voor de veiligheidsdiensten heeft gewerkt zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden. Veel Afghanen die na de val van het communistische regime naar Nederland zijn gevlucht, hebben in eerste instantie een verblijfsvergunning gekregen.

Nadat Nederland in 2000 voornoemd ambtsbericht heeft opgesteld, zijn veel van de verblijfsvergunningen ingetrokken van vreemdelingen die actief zijn geweest voor de veiligheids­diensten.

Ambtsberichten

Tot zover kun je denken: Wat is dan het probleem? Oorlogsmisdaders worden toch terecht uitgesloten? Het gaat echter fout bij de toetsing. Nederland toetst individuele gevallen aan algemene ambtsberichten. Vreemdelingen die bijvoorbeeld administratief werk hebben gedaan voor de veilig­heidsdiensten worden uitgesloten van de asielprocedure omdat zij oorlogsmisdaden zouden hebben begaan. Deze redenering is natuurlijk discutabel. Een administratief medewerker is mijns inziens niet per definitie een oorlogsmisdadiger.

Ook is er veel kritiek op de inhoud van de ambtsberichten. Zo zou het ambtsbericht uit 2000 over Afghanistan inhoudelijk niet kloppen en zou het onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Veel mensenrechtenorganisaties en zelfs de huidige Afghaanse regering geven aan dat de inhoud van het ambtsbericht niet klopt.

Het ambtsbericht is opgesteld aan de hand van anonieme bronnen, zodat de juistheid voor derden moeilijk valt te beoordelen. De Nederlandse regering houdt echter krampachtig vast aan de inhoud van het ambtsbericht omdat het onmogelijk zal zijn om een nieuw ambtsbericht op te stellen doordat de oorlogsmis­daden tientallen jaren terug hebben plaatsgevonden.

Voor de 1F’er is het in de praktijk onmogelijk om het ambtsbericht te ontkrachten, omdat dit zoals gezegd gebaseerd is op anonieme bronnen. Daarnaast worden de verklaringen en het bewijsmateriaal dat door de vreemdeling in het land van herkomst is verzameld vaak niet geaccepteerd als bewijs van onschuld. De vreemdeling is zodoende bijna altijd ”schuldig” aan oorlogs­misdaden.

Zorgvuldige beoordeling

In het huidige systeem maken de echte oorlogsmisdadigers nog steeds slachtoffers, want hoogstwaarschijnlijk worden ook onschuldige vreemdelingen uitgesloten van de asielprocedure. Deze mensen worden na jaren van verblijf alsnog weggerukt van hun familie. Deze situatie is in strijd met meerdere mensenrechten­bepalingen. Ook voldoet dit systeem niet aan de individuele waarborgen van mensenrechtenverdragen, zoals het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

Het is dan ook tijd voor een andere aanpak, die meer is gericht op het individuele geval. Veel mensenrechtenorganisaties pleiten ervoor om mensen van de asielprocedure op basis van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag uit te sluiten nadat een strafrechtelijke veroordeling heeft plaatsgevonden. Dit is natuurlijk een ideaal uitgangspunt, maar in de praktijk vrijwel onmogelijk. Zo ontbreekt het het openbaar ministerie aan capaciteit om in het buitenland onderzoeken naar oorlogsmisdaden te verrichten. Naar mijn mening is hier dan ook een schone taak weggelegd voor het internationaal strafhof.

Op korte termijn zou de situatie al een stuk humaner worden indien de IND al het bewijs­materiaal van iedere 1F’er goed zou bekijken en afwegen. Een zorgvuldige beoordeling van de feiten en omstandigheden die bekend zijn over een specifieke vreemdeling, een individuele beoordeling, dient zo veel mogelijk te voorkomen dat ”onschuldige” vreemdelingen na tientallen jaren bij hun familie worden weggehaald. Al zal het vooralsnog moeilijk blijven om te beoordelen wie daadwerkelijk oorlogsmisdaden heeft begaan.

De auteur als jurist werkzaam voor het Juridisch Loket.