Luther als econoom

beeld DPA

Luther is big business. De Lutherproducten gaan dit Reformatiejaar als warme broodjes over de toonbank. Met meer dan 750.000 verkochte exemplaren werd de Duitse reformator het best verkochte Playmobilpoppetje in de geschiedenis van het speelgoedconcern. Hij moest eens weten.

In ons land, waar het lutheranisme het heeft moeten afleggen tegen het calvinisme, zijn er onder meer een Lutherglossy, -stripboek en -badeend op de markt, om van de talloze boekuitgaven nog maar te zwijgen. In Wittenberg, zo was op hervormingsdag in deze krant te lezen, is Luther vooral handel. Op het marktplein voor de Slotkerk worden toeristen verleid met Luther-T-shirts, -braadworsten en -bier. Het „sobald das Geld im Kasten klingt” van de aflatenprediker Tetzel krijgt dit jaar een heel nieuwe dimensie.

Luther had het niet zo op dit soort handel. De handel stond bij hem sowieso in een kwaad daglicht. Het is weliswaar mogelijk om op een christelijke manier handel te drijven, maar in de praktijk is het een broeinest van de hebzucht. Met instemming haalt Luther een tekst uit het deuterocanonieke Bijbelboek Jezus Sirach (26:28) aan waarin staat dat het moeilijk is voor kooplieden om zonder zonde te zijn. Wanneer de leefregels van het Evangelie de dienst uitmaken in het alledaagse leven zou de handel snel aan populariteit verliezen. Kooplieden zouden hun geldbuidel aan de wilgen hangen.

Handel is voor Luther een noodzakelijk kwaad. Met tegenzin geeft hij toe dat ook de aartsvaders hebben verkocht en gekocht. Dit neemt niet weg dat God de voorkeur geeft aan (zelfvoorzienende) akkerbouw, aldus Luther. Het is Zijn wil dat landbouw wordt uitgebreid en de koophandel wordt ingeperkt. Het is niet toevallig, stelt Luther, dat God het volk Israël ver bij de zee vandaan liet wonen. Zo werd voorkomen dat er vreemde, goddeloze zeden via de handel werden geïmporteerd. Handel zet de deur bovendien wagenwijd open voor de invoer van luxeproducten en het bijbehorende uiterlijk vertoon. Aan de wereldlijke overheid is daarom de taak om deze import aan banden te leggen.

Recent heeft dr. Roel Jongeneel op deze pagina’s terecht aandacht gevraagd voor de economische denkbeelden van Luther (RD 12-9). Door de stortvloed aan bekendere Lutherthema’s zouden we bijna vergeten dat er in de reformator ook een economist schuilging. Communist en bewonderaar Karl Marx noemde Luther de „oudste Duitse nationaal-econoom.” Marx zag in de Wittenberger een geestverwant in zijn strijd tegen het kapitalisme. Luther heeft deze twijfelachtige eer te danken aan een viertal economische geschriften: twee preken tegen woeker, een traktaat over koophandel en woeker en een uitvoerige oproep aan predikanten om tegen woeker te prediken. Om Luther op basis van zijn uitspraken over woeker en ondernemerschap een ”actuele econoom” te noemen, zoals in de redactionele inleiding van de genoemde opiniebijdrage gebeurt, is echter discutabel.

De relevantie van Luther als econoom blijkt vooral uit zijn arbeidsvisie. Zijn ideeën over arbeid als goddelijke roeping waren revolutionair en zijn nog altijd inspirerend. Zijn opvattingen over handel en rente daarentegen zijn ronduit ouderwets. Daarin was Luther, die op de drempel stond van de moderne tijd, nog door en door middeleeuws. Het kwaad van de woeker omvatte voor hem méér dan het vragen van rente over uitgeleend geld: hij hanteerde de term voor alle vormen van onmatige of oneerlijk verkregen winst. Nieuwigheden zoals het onderscheid tussen consumptief krediet en investeringskrediet en de productiviteit van kapitaal waren aan hem niet besteed.

Luther schrijft in zijn beroemde brief aan de christelijke adel van de Duitse natie dat men de Fuggers en vergelijkbare koopman-bankiers aan banden moet leggen. De reden? Omdat hij als theoloog niet begrijpt hoe ze met één gulden 20 procent, ja zelfs 100 procent winst kunnen maken. Aangezien Gods zegen alleen te verwachten is in de akkerbouw of de veeteelt, moet hier wel sprake zijn van menselijke sluwheid.

Dat Luther anders dan Calvijn weinig voeling had met het opkomende kapitalisme is geen schande. Een mens kan zijn tijd niet in alle opzichten vooruit zijn. Wat voor hem pleit, was zijn bezorgdheid om de macht van de hebzucht in het dagelijks leven van de gelovigen. Want is het ontmaskeren van het kwaad in de economie geen opdracht voor alle zielzorgers? Nee, een dominee is geen koopman, maar dat ontslaat hem niet van de plicht om aan te sporen tot een reformatie van het economisch leven.

Dr. J. W. Hengstmengel is werkzaam aan de Tilburg School of Catholic Theology. Zijn onderzoek richt zich op de verhouding tussen theologie en economie.