Laat school oog hebben voor onderscheiden talenten van leerlingen

beeld RD, Anton Dommerholt Anton Dommerholt

Willen scholen werk maken van talentontwikkeling, dan zullen er ingrepen verricht moeten worden in het huidige onderwijssysteem, betoogt Alex de Bruijn.

In de meeste regio’s van het land is de schooltrein weer in gang gezet na een lange rustperiode. Daarvoor moet er heel wat georganiseerd worden. En als de trein eenmaal op stoom is, vraagt het de nodige organisatie om hem rijdend te houden.

Het begin van een nieuw jaar is een uitstekend moment om te reflecteren. Zo zouden schoolteams zich kunnen afvragen wat ze eigenlijk organiseren, hoe ze dat doen en waarom ze dat zo doen. Zwart-wit gesteld: organiseren ze om te beheren of organiseren ze om te leren?

Sjef Drummen, onderwijskunstenaar en oprichter van Agora (een nieuw onderwijsmodel), stelt in de onlangs uitgezonden Tegenlichtdocumentaire ”De onderwijzer aan de macht” een aantal interessante vragen. Hij vraagt zich af waarom kinderen geselecteerd worden op cognitieniveau en leeftijd en waarom kinderen in groepen van 25 tot 30 bij elkaar zitten en niet bijvoorbeeld in groepen van 120. Dat dit geen opmerking is van een stuurman aan wal, bewijst de rest van de documentaire. Het is goed om je als school eens af te vragen of de manier waarop het onderwijs georganiseerd is wel optimaal bijdraagt aan het leren van alle leerlingen.

Ongelijkheid

Vrijwel elke school, zeker die met een christelijke signatuur, geeft de uniciteit van kinderen –terecht– een prominente plek in schoolplan en schoolgids. De vraag is of de praktijk op deze scholen hetzelfde laat zien als in deze documenten met de mond wordt beleden. Benadrukken scholen in hun organisatie van de lessen de veelkleurigheid die onze Schepper in Zijn schepping heeft gelegd of organiseren ze deze terug tot op zijn hoogst een aantal grijstinten?

Van het huidige onderwijssysteem, dat we natuurlijk zelf gecreëerd hebben, moeten scholen het niet verwachten. Dat laat niet veel ruimte voor pluriformiteit. Methodes, roosters, toetsen, jaarklassensystemen en klassenopstellingen zijn veelal gebaseerd op het principe van gelijke monniken, gelijke kappen. Dat is organiseren om met name te beheren. Maar er zijn op school geen gelijke monniken, dus passen ook gelijke kappen niet! Ieder kind is gelijkwaardig, maar niet gelijk. Wat zou het onderwijs winnen aan kracht en inspiratie als deze ongelijkheid niet weggeorganiseerd, maar juist benadrukt en benut zou worden. Scholen moeten hun onderwijs zó organiseren dat er voor ieder uniek kind gelegenheid is om te leren. Dat doet recht aan de veelkleurigheid die in de schepping is gelegd.

Rembrandtjes

Een voorbeeld. Een leerling met veel talent voor en interesse in techniek besteedt vrijwel hetzelfde aantal uren aan dit ‘vak’ als een leerling die veel beter is in het schrijven van een mooi verhaal en dat ook liever doet. Hoe verhoudt deze situatie zich tot het uitgangspunt van een school dat de uniciteit van iedere leerling belangrijk is? Waarom bestaat het dat iedere leerling ongeveer hetzelfde aantal uren per jaar tekenopdrachten uitvoert, terwijl er kleine Rembrandtjes tussen zitten en andere leerlingen op tekengebied nooit echt verder zullen komen?

Onlangs zag ik een aantal leraren bij de repetitie van een afscheidsvoorstelling van groep 8 compleet verrast zijn over het talent van een van de leerlingen. Het verbaasde mij dat ze het nu pas zagen. Het betekende dat dit talent bijna acht jaar onopgemerkt was gebleven en dat er dus ook weinig mee is gedaan. Het kan vanuit identiteitsoverwegingen natuurlijk een bewuste keuze zijn om bepaalde talenten niet te ontwikkelen (hoewel dat op zichzelf al best spannend is), maar dat is het in bijna alle gevallen niet.

Onderwijs is niet passend als het alleen maar aansluit bij het cognitieniveau van de leerlingen. Echt passend wordt het als het ook aansluit bij de vaardigheden en persoonlijke kwaliteiten van leerlingen; als in een klimaat van erkende ongelijkheid (en dat is wezenlijk!) hoofd, hart en handen worden aangesproken. Daarvoor is het nodig om buiten bestaande kaders te denken en te zoeken naar andere, meer op de uniciteit van leerlingen aansluitende vormen.

Stamgroep

Een voorbeeld van hoe dat zou kunnen kwam ik tegen bij een basisschool die werkt met stamgroepen, instructie- en werkplekken. De schooldag begint in de stamgroep (samengesteld op leeftijd) met Bijbelvertelling, gebed en stillezen en eindigt daar ook met het doornemen van de vorderingen en werkzaamheden in de werkplekken.

Na het begin van de dag in de stamgroep gaan de leerlingen naar een werkplek die ze eerder hebben uitgekozen. De leerlingen kunnen kiezen uit onder andere Taalplein (verhalen, gedichten), Atelier (schilderen, klei), Restaurant (inkopen, koken), Techniekcentrum (techniek, wetenschap), Sportschool (bewegingsonderwijs), Rekenplein (toegepast rekenen).

De basisvaardigheden zoals lezen en rekenen worden aangeboden op meerdere instructieplekken, die op niveau zijn ingedeeld. Aan de instructie- en werkplekken wordt gewerkt door leerlingen van verschillende stamgroepen met ongeveer gelijk niveau. Daar ontmoeten ze elkaar, kunnen ze elkaar bevragen en hulp bieden. Dit versterkt niet alleen het zelfvertrouwen en de hulpvaardigheid, maar verbetert ook hun sociale vaardigheden en gedrag door het werken in zowel de stamgroep als de instructieplekken.

Dit voorbeeld bewijst dat het kan, meer recht doen aan de uniciteit van leerlingen. Willen scholen werk maken van talentontwikkeling –en zeker christelijke scholen zijn dat aan hun stand verplicht– dan zullen er ingrepen verricht moeten worden in het huidige onderwijssysteem. Ik hoop dat scholen (meer) werk maken van een cultuur waar voor leerlingen ruimte is om hun persoonlijke talenten te ontwikkelen. Dat is onderwijs organiseren om te leren!

De scholen gaan weer beginnen. Er is voldoende werk aan de winkel!

De auteur is senior managementadviseur bijDriestar managementadvies.