Laat Pasen en Pesach weer op één dag vallen

Foto Sjaak Verboom

De eerste christenen vierden Pasen op dezelfde datum als Pesach. De officiële beslissing om het paasfeest op zondag te vieren, was ingegeven door anti-Joodse sentimenten. Dat besluit zouden we weer terug moeten draaien, schrijft ds. G. Hette Abma.

Maakt het wat uit op welke dag we Pasen vieren? Wie zich verdiept in de geschiedenis van het christendom, ontdekt dat het zeker iets uitmaakt op welke datum we Jezus’ opstanding herdenken.

In de westerse kerk wordt Pasen al eeuwenlang gevierd op de eerste zondag na de eerste volle maan van de lente-equinox. Op zijn vroegst is dat 22 maart en op zijn laatst 25 april. De eerste christenen, van origine Joodse gelovigen, hadden echter de gewoonte het sterven en de opstanding van Jezus te gedenken op de datum van Pesach. Onder invloed van gelovigen uit de niet-Joodse volken werd het aan het eind van de tweede eeuw echter steeds gebruikelijker om Pasen op zondag te vieren.

Aanvankelijk hielden de volgelingen van Jezus zich strikt aan de Joodse kalender. De paasnachtviering was geheel en al verbonden met het pesachfeest. De oudste wake waar we iets van weten, viel dan ook samen met de sederavond op de 14e dag van de maand Nisan (Lev. 23:5 en Joh. 19:14).

De christenen uit Klein-Azië brachten de nacht van 14 op 15 Nisan wakend door. Vanwege die datum werden zij quartodecimanen genoemd (letterlijk: mensen van de veertiende dag). In die nacht kwamen ze samen om te vasten en bidden met het oog op hun Joodse broeders en zusters die de Messias nog niet hadden erkend. Tijdens dat vasten lazen ze het verhaal van Pesach uit Exodus 12.

Tegen de achtergrond van de bevrijding van het volk Israël uit Egypte spraken ze over de verlossing door Jezus, als het ware Paaslam. De verrijzenis van de gekruisigde Heere zagen ze als het geheim van Pasen. Zoals de Israëlieten in de nacht van Pesach de komst van de Messias verwachtten, zo zagen de christenen uit naar de realisering van het komende Rijk bij de komst van de Zoon des Mensen in heerlijkheid.

Constantijn de Grote

Gaandeweg ging de westerse Kerk Pasen vieren op de eerste zondag na de lentevollemaan. Uiteindelijk heeft dit algemeen ingang gevonden. De beslissing over de paasdatum is officieel genomen op het concilie van Nicea in het jaar 325. Met hulp van keizer Constantijn de Grote was deze eerste oecumenische kerkvergadering bijeengeroepen. Maar liefst 318 bisschoppen uit het hele Romeinse Rijk moesten een uitspraak doen over de opvattingen van Arius. Ook de paasdatum kwam aan de orde. Voortaan moest de kerk niet langer de berekening van de Joden volgen, want in geen geval mocht het christelijke paasfeest samenvallen met de datum van Pesach. Jezus was immers op de zondag na Pesach opgestaan.

Schokkend is het te lezen hoe keizer Constantijn zijn invloed aanwendde door in een brief aan de synode te schrijven: „Het is de heiligste van alle feesten onwaardig om de gewoonte van de Joden te volgen. Het is onze plicht om niets gemeenschappelijk te hebben met de moordenaars van onze Here. Wij wensen ons af te zonderen van het verfoeilijke volk der Joden, zo een verdorven volk.”

De Romeinse keizer realiseerde zich niet dat Paulus heeft geschreven dat wanneer zij het hadden geweten „zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben” (1 Kor. 2:8). Bovendien heeft Jezus aan het kruis gebeden: „Vader vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen” (Luk. 23:34a). Voor Constantijn was er een eind gekomen aan de bevoorrechte positie van het Joodse volk en is de kerk in de plaats van Israël gekomen.

Kerkelijke eenheid

Het concilie van Nicea veroordeelde de quartodecimanen en vaardigde een decreet uit dat zij zich moeten aanpassen aan het Romeinse gebruik. Op die manier moest de kerkelijke eenheid bevorderd worden. Bovendien wilde men voorkomen dat volgelingen van Jezus juist tijdens de viering van Pesach contacten met Joden zouden onderhouden. Daarom besloot men de vasten te beëindigen op de eerste zondag na de 14e Nissan. Allen die de oude praktijk handhaafden, werden aangemerkt als judaïsten. Dit konden de christenen in Klein-Azië en Syrië zich aantrekken, en ook het Keltisch christendom in Ierland, Brittania en Gallië.

Op het concilie van Antiochië werd besloten tot harde maatregelen. Wie bleef vasthouden aan de traditie uit de tijd van de apostelen zou geëxcommuniceerd worden. Nog eeuwenlang woedde de strijd voort. Zelfs in het jaar 664 stond de vraag betreffende de paasdatum centraal op de synode van Whitby (Engeland). Uiteindelijk triomfeert de gewoonte het christelijk paasfeest te vieren op een dag die in elk geval niet samenvalt met Pesach.

Belangrijk signaal

Met regelmaat komt vanuit de samenleving het verzoek aan de kerken om een vaste datum voor het paasfeest te kiezen. Gelukkig is daar niet op ingegaan. Op die manier zou het verband met Pesach definitief verdwijnen.

Wie ontdekt welke verantwoordelijkheid de kerk draagt voor het lijden van het Joodse volk, beseft hoe noodzakelijk het is een schuldbelijdenis uit te spreken. Maar dan moeten we het niet bij woorden laten. Het is belangrijk daden te stellen. Laat de kerk terugkomen op beslissingen die op grond van anti-Joodse sentimenten zijn genomen.

”Als Pasen en Pinksteren op één dag vallen”. Dat gebeurt dus nooit. De kerk kan wél het besluit nemen Pasen met Pesach te laten samenvallen. Dit zal een belangrijk signaal zijn in de richting van het Joodse volk. Voor de kerk zelf is het ook van betekenis. Hoe bijzonder is het uitgerekend op de dag waarop Joden Pesach vieren als gemeente te gedenken dat Jezus stierf tot verzoening van de zonden. Veel Joden laten juist tijdens de viering van Pesach merken hoe ze met verlangen uitzien naar de komst van de Messias. Het zou geweldig zijn als we daarover met hen in gesprek konden komen.

De auteur is hervormd predikant in Gouda. Dit artikel is een samenvatting van een bijdrage die eerder deze maand is gepubliceerd in Woord & Dienst.