Laat in coronacrisis de Bijbel voluit spreken

Kerk en corona
„Het coronavirus bepaalt ons bij onze lichamelijke kwetsbaarheid, die we voor een groot deel overwonnen meenden te hebben.” Foto: een Italiaanse coronapatiënt is voor ziekenhuisopname naar Dresden overgevlogen. beeld EPA, Filip Singer

Hoewel het jaar nog niet eens op de helft is, kunnen we al wel zeggen dat 2020 een bekend jaartal uit de wereldgeschiedenis zal worden. Vergelijkbaar met 1945, 1914 of 1789. Een jaar ook met een huiveringwekkende klank. Wat heeft deze wereldomspannende epidemie ons te zeggen?

Het coronavirus bepaalt ons in ieder geval bij onze lichamelijke kwetsbaarheid. Die meenden we, dankzij onze sterk toegenomen medische kennis en goede medische voorzieningen, voor een groot deel overwonnen te hebben.

Het bepaalt ons ook bij de sterk toegenomen mondiale verwevenheid. Veel mensen en goederen reizen tegenwoordig de halve wereld over. Die internationalisering blijkt niet alleen voordelen te hebben.

Zo’n massale epidemie heeft ook grote consequenties voor het economische leven. Wereldwijd zijn de beurskoersen gedaald. Naast tekorten als gevolg van de hamsterwoede is er sprake van vraaguitval op grote schaal. Een forse toename van de werkloosheid dreigt.

Duidelijk is ook de grote betekenis van de overheid. „Zij is Gods dienares, u ten goede”, zo lezen we in het bekende Bijbelhoofdstuk Romeinen 13. In bijzondere omstandigheden heeft de overheid bijzondere bevoegdheden. Sinds de bezettingsjaren is de fysieke vrijheid van de burger nooit zo ver ingeperkt als nu het geval is. En in aangrenzende landen zijn de regels nog strenger.

Massale controle

Dat roept ook vragen op. De volksgezondheid is uiteraard van groot belang, letterlijk van levensbelang. Maar heeft de overheid in naam van de volksgezondheid onbeperkte bevoegdheden? Het recht op privacy is de laatste jaren nogal opgerekt. Denk aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Soms denk je: dat kan wel wat minder.

De huidige pandemie kan er echter gemakkelijk toe leiden dat het doen en laten van de burger massaal gecontroleerd gaat worden. Dat is ook geen prettig idee. De technische mogelijkheden daarvoor zijn beschikbaar en in een dictatoriaal land als de Volksrepubliek China heeft men er geen enkele moeite mee om die op grote schaal toe te passen.

Het verbod op bijeenkomsten met meer dan dertig personen betekent ook een forse inbreuk op de vrijheid van de kerken. Kerkdiensten zijn immers een heel wezenlijk onderdeel van het kerkelijk leven. Gelukkig zijn er tegenwoordig allerlei mogelijkheden om de kerkdienst thuis mee te maken.

Maar hoe lang gaat het verbod om samen te komen duren? Wat zullen op langere termijn de consequenties zijn van dat verbod, ook voor de verdere invulling van de zondag? Gaan mensen uit de gereformeerde gezindte straks weer trouw twee keer per zondag naar de kerk? ”Ontberen doet waarderen”, zegt het spreekwoord. Maar zal dat hier ook opgaan? Of is men het na verloop van tijd als een voordeel gaan zien dat je thuis (zonder dat het verder iemand opvalt) je eigen keus kunt maken uit het grote aanbod van kerkdiensten?

Afhankelijkheid

De vraag kan ook gesteld worden wat de coronacrisis in geestelijk opzicht zal nalaten. In het verleden leidden dergelijke rampen soms tot meer kerkgang en tot een sterker besef van onze afhankelijkheid van de Schepper van hemel en aarde, in Wiens hand ons leven is.

Helaas valt dat menselijkerwijs gesproken in onze geseculariseerde maatschappij niet te verwachten. De coronacrisis wordt veelal in horizontale termen geduid. Dat zien we ook in de toespraken van koning Willem-Alexander en premier Rutte. In de VS ligt dat dan toch nog weer anders.

De natuur heeft ons een streek geleverd, aldus de vroegere Tweede Kamervoorzitter Gerdi Verbeet. En historicus prof. dr. Beatrice de Graaf stelde deze week in het Financieel Dagblad: „In de middeleeuwen bestempelden mensen plagen als een straf van God, tegenwoordig moeten wij erkennen: dit doen wij onszelf aan.”

Verderfengel

Wie thans, hoe voorzichtig ook, over de coronacrisis durft te spreken als een oordeel van God over een van Hem afgevallen wereld, moet rekenen op felle kritiek. Hoe durf je zoiets te zeggen! Dat is toch kwetsend voor de slachtoffers! Wat een wrede God is dat! Dergelijke kritiek komt niet alleen van volstrekt seculiere mensen, maar ook van velen die zich christen noemen.

Dat is een opmerkelijke ontwikkeling. Drie weken geleden publiceerde het RD een preek van de Rotterdamse predikant J. J. van Oosterzee. Die preek had hij in 1853 gehouden tijdens een cholera-epidemie. Nu was Van Oosterzee bepaald geen zware dominee van afgescheiden of ledeboeriaanse signatuur. Hij kan het beste getypeerd worden als ethisch hervormd. Maar in die preek, nu ruim anderhalve eeuw geleden gehouden, wordt de cholera heel duidelijk gezien als een oordeel van God. De door Hem gezonden „verderfengel is over onze grens gekomen en wandelt in de duisternis door ons land.” Noodzakelijk is het dan ook om tot God te roepen „uit de diepte van schuld en van nood”, aldus Van Oosterzee.

Dergelijke geluiden hoort men tegenwoordig eigenlijk alleen maar in bevindelijk gereformeerde kring. Misschien ook bij een enkeling daarbuiten. Maar de reacties van de buitenwereld op een dergelijke boodschap zijn niet mals. Dat bleek bijvoorbeeld toen een brief van de Werkendamse ds. H. J. Agteresch (Gereformeerde Gemeenten) bij De Telegraaf terechtkwam.

Ander Godsbeeld

In veel kerken wil men in deze tijd een boodschap van liefde, verzoening en hoop brengen. Dat zijn ongetwijfeld Bijbelse noties, maar er is veel meer te zeggen en er moet, ook in de huidige situatie, meer gezegd worden.

Als men alleen weet van een God van liefde en niet meer van Gods toorn over de zonde en Zijn rechtvaardige straffen, dan is men wel ver afgedwaald van hetgeen ons in de Bijbel wordt voorgehouden. Dan heeft men inmiddels een heel ander Godsbeeld dan de christelijke kerk vanouds heeft gehad. Maar dat is tegenwoordig wel de teneur van allerlei boodschappen uit de breedte van christelijk Nederland.

Uiteraard moet, vooral ook in deze dramatische tijden, met voorzichtigheid gesproken worden. Zeker ook wanneer onze woorden wellicht een publiek bereiken dat volstrekt vervreemd is van de Bijbel. Wezenlijke zaken mogen echter niet verzwegen worden om daardoor sympathieker over te komen. Maar met Habakuk moet onze bede zijn: „In de toorn gedenk des ontfermens” (3:2).