Kuyper verzette zich tegen evolutieleer

In de discussie over schepping of evolutie stellen sommigen dat Abraham Kuyper al aanhanger was van de evolutieleer. Ten onrechte, stelt drs. J. A. van Delden.

Op allerlei manieren tracht men gelovigen te brengen tot het loslaten van hun geloof in Genesis 1. Ik wil nu op één argument ingaan. Daarbij wordt een beroep gedaan op christenwetenschappers uit heden of verleden die „ook geloven dat God door evolutie heeft geschapen.” De suggestie is: volg hen na (en laat de Bijbel maar los!).

In de discussie over schepping of evolutie is nogal eens Abraham Kuyper aangehaald. De vermaarde oprichter van de Vrije Universiteit zou ook al aanhanger zijn geweest van de evolutieleer! Ik citeer prof. dr. J. Lever (ND 18-3-2006): „Kuyper aanvaardde de evolutietheorie, maar verwierp de wereldbeschouwing die erachter schuilging, het evolutionisme. (…) Kuyper achtte de evolutiegedachte voor christenen aanvaardbaar, mits God de Opperste Bouwmeester bleef.” Lever verwijst naar de ”Evolutierede” van Kuyper uit 1899, waarin ook de bekende uitspraak staat: „Niet onze stijl zullen wij aan de Opperste Bouwmeester van het Heelal opdringen. Mits Hij, niet in schijn, doch in wezen de Bouwmeester blijve, is Hij ook in de keuze van de bouwstijl de Vrijmachtige. Had het dus God beliefd niet zelf soorten te scheppen, maar soort uit soort te doen opkomen, doordat Hij de voorafgaande soort op de productie van de hoger volgende had aangelegd, de Schepping zou er even wonderbaar om zijn.” (Zie ook de bijdrage van Lever in het nieuwe ID-boek ”En God beschikte een worm”, blz. 137-138.)

Kuyper zou geloofd hebben in geschapen evolutie?! En dat is de goegemeente meer dan honderd jaar ontgaan? Hoe kan dat? Lever denkt: „Bijna niemand heeft die rede gelezen, want men vond die veel te moeilijk.” De verklaring is echter eenvoudiger: bij Lever is de wens de vader van de gedachte. Hij leest niet wat er staat, maar wat hij zou willen dat er stond. Dat wil ik op twee manieren duidelijk maken.

Onomstreden
Het is buitengewoon ongeloofwaardig dat de stichter van de VU in die tijd zou hebben verklaard dat hij de evolutietheorie aanvaardde. In 1903 hield een zoon van Abraham Kuyper, H. H. Kuyper, ook een rede aan de VU en daarin maakte hij terloops de opmerking dat een bepaalde theorie „uitgaat van een darwinistisch evolutieproces dat én door de Schrift én door de feiten wordt gewraakt” (blz. 32). Treffender kan het ook nu nauwelijks onder woorden worden gebracht!

Zo algemeen en onomstreden was de afwijzing van evolutionisme en evolutietheorie dat pas in 1933 VU-hoogleraar Sizoo na aarzelen en overleg argumenten durfde aanvoeren die leken te pleiten voor een oude aarde (zie A. Th. van Deursen, ”Een hoeksteen in het verzuild bestel”, blz. 180). Er is slechts een oppervlakkige kennis van de geschiedenis van de VU nodig om te beseffen dat de interpretatie door Lever van de rede van Abraham Kuyper niet past in het historisch kader. Als Lever gelijk heeft, is binnen de VU tientallen jaren de rede „niet gelezen of niet begrepen.” Dat valt niet te geloven.

Er is een tweede manier om duidelijk te maken dat Lever de plank misslaat. In zijn rede voert Kuyper fundamentele bezwaren aan tegen het evolutionisme, maar ook tegen de evolutietheorie! Ik noem er een aantal.

De evolutieleer kent geen doelgerichtheid, alleen ongerichte natuurlijke selectie, en dat is absoluut onvoldoende als verklaring van de ontwikkeling (blz. 11). De evolutie ontstaat bij de gratie van ”de teniet doening van het zwakkere”, wat een plicht is voor de sterkere, en dat is voor een christen onaanvaardbaar (blz. 12). Overgangsvormen zijn niet levensvatbaar (blz. 33). De overgangsvormen ontbreken bij de fossielen (blz. 34). Bij het telen blijkt dat soorten constant zijn: er is wel variatie, geen evolutie (blz. 35). Voor het spontaan ontstaan van leven is geen schijn van bewijs (blz. 36). Schoonheid in de natuur valt niet te verklaren vanuit het nut voor de evolutie (blz. 39). Het ethisch besef en het geloofsvermogen bij de mens zijn niet het product van evolutie (blz. 41).

Het is duidelijk: Kuyper wijst niet alleen het evolutionisme maar ook de evolutieleer hartgrondig en geargumenteerd af.

Denkbeeldig
Maar hoe zit het dan met het bovenstaande citaat? Als je enigszins nauwkeurig leest, zie je dat Kuyper het heeft over een denkbeeldige mogelijkheid. Laat ik een voorbeeld geven. Als God gewild had, had Hij ook in zes jaar of in een wat andere volgorde kunnen scheppen. Alleen, dat heeft Hij blijkens Genesis 1 niet gedaan! God had ook door evolutie kunnen scheppen, dat kan ik met Kuyper eens zijn. Alleen, dat zou dan een heel ander proces zijn dan in de evolutietheorie. Dat zegt Kuyper ook meteen erbij: „dit zou nooit de Evolutie van het Darwinisme geweest zijn” (blz. 47), en dat citaat laat Lever tactisch weg. God heeft niet geschapen door evolutie, maar zoals Kuyper in het citaat zegt: Hij heeft ervoor gekozen om „zelf soorten te scheppen.”

voetnoot (u17(De auteur is voormalig directeur van de Evangelische Hogeschool en maakte in het verleden voor de EO programma’s over het ontstaan van de aarde.