Klimaatprobleem overschat en onbegrepen

„De wetenschappers Lüning en Vahrenholt verzamelen historische bronnen die informatie geven over de temperatuur in de periode 1000-1200. Elke bron wordt gekoppeld aan de bijbehorende geografische locatie. Als de bron bijvoorbeeld laat zien dat een gletsjer in de Alpen aan het smelten was, wordt geconcludeerd dat het tussen 1000 en 1200 warm was op de locatie van de gletsjer.” Foto: Aletschgletsjer in Zwitserland. beeld AFP, Fabrice Coffrini

Millennials zien klimaatverandering als de grootste bedreiging voor de wereld. Maar is dit ook zo? Er zijn zeker twee belangrijke argumenten om te kunnen stellen dat klimaatverandering niet zo’n urgent probleem is als wel wordt gedacht.

In het klimaatdebat is een belangrijke vraag in hoeverre het klimaat in het verleden veranderde. Directe temperatuurmetingen zijn er pas op grote schaal sinds 1850. Daarom is voor het bepalen van het klimaat in het verdere verleden ook veel gebruikgemaakt van indirecte temperatuurmetingen (proxy’s), zoals de breedte van boomringen.

In 1998 hebben de Amerikaanse onderzoekers Mann, Bradley en Hughes op basis van proxy’s een reconstructie gemaakt van de temperatuur op het noordelijk halfrond vanaf het jaar 1000. Dit resulteerde in de beroemde ”hockeystickgrafiek”, waaruit zou blijken dat de temperatuur lange tijd stabiel bleef maar na de Industriële Revolutie (1850) omhoogschoot.

Echter, de Canadese wiskundige McIntyre deed de ontdekking dat deze beroemde hockeystickgrafiek berustte op niet-representatieve data en berekeningsfouten. De onderzoekers hadden zich met name gebaseerd op de boomringen van een zeer specifieke boomsoort, waardoor de resultaten een spectaculaire temperatuurstijging na 1850 lieten zien. Bovendien hadden ze de data op een verkeerde wijze geanalyseerd, waardoor het niet uitmaakte welke temperatuurgegevens gebruikt werden: het resultaat was vrijwel altijd een hockeystickgrafiek.

Periode 1000-1200

Ook na dit fel bekritiseerde onderzoek van Mann en zijn collega’s hebben wetenschappers geprobeerd om op basis van klimaatproxy’s de temperatuur uit het verleden te reconstrueren. Een voorbeeld hiervan is een recent onderzoek onder leiding van Neukom, dat besproken werd onder de kop ”Voor het eerst stijgt overal op aarde de temperatuur” (RD 25-7-2019). Dit onderzoek zou de hockeystickgrafiek bevestigen, maar er kunnen belangrijke kanttekeningen bij worden geplaatst. Zo is dit onderzoek, waarbij ”peer review” (toetsing) ontbreekt, gebaseerd op een gering aantal proxy’s, voornamelijk koraalafzettingen, die qua ouderdom en geografische locatie geen representatief beeld geven.

Temperatuur-NWVoor het eerst stijgt overal op aarde de temperatuur

Deze kritiek lijkt te worden ondersteund door de wetenschappers Lüning en Vahrenholt. Zij verzamelen historische bronnen die informatie geven over de temperatuur in de periode 1000-1200. Elke bron wordt gekoppeld aan de bijbehorende geografische locatie. Als de bron bijvoorbeeld laat zien dat een gletsjer in de Alpen aan het smelten was, wordt geconcludeerd dat het tussen 1000 en 1200 warm was op de locatie van de gletsjer. Op basis van duizenden bronnen hebben Lüning en Vahrenholt een kaart gemaakt waarop te zien is dat de wereldwijde temperatuur in de periode 1000-1200 vergelijkbaar of hoger was dan de temperatuur in onze tijd.

IPCC

Een tweede belangrijk vraagstuk binnen het huidige klimaatdebat is de vraag in hoeverre het klimaat gevoelig is voor CO2-uitstoot. Klimaatgevoeligheid staat voor de temperatuurswisseling die het klimaat doormaakt bij een verdubbeling van de mondiale CO2-uitstoot ten opzichte van 1850. Vermoedelijk is deze verdubbeling later deze eeuw een feit, wat de urgentie van een goed begrip van klimaatgevoeligheid onderstreept.

De klimaatgevoeligheid is in het verleden door het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) berekend. Het IPCC gebruikte destijds zijn klimaatmodellen om klimaatgevoeligheid te schatten. Op basis hiervan schatte het IPCC dat de aarde met 1,5 tot 4,5 graden opwarmt, bij een verdubbeling van de CO2-uitstoot in de atmosfeer ten opzichte van 1850. De meest reële schatting was 3 graden. Halverwege deze eeuw zou er dan al een opwarming van 2 graden zijn ten opzichte van het pre-industriële tijdperk.

Marcel Crok en Nic Lewis hebben echter een andere methode gevonden om klimaatgevoeligheid te berekenen. Zij baseerden hun berekeningen zoveel mogelijk op metingen in plaats van modellen. Voor de variabelen die niet op basis van waarnemingen berekend konden worden, gebruikten Crok en Lewis dezelfde waarden als het IPCC. Dit leverde een meest reële schatting van de klimaatgevoeligheid van ruim 1,5 graden op. Dit zou betekenen dat we pas in 2100 op 2 graden opwarming zitten. Voor de helderheid: Lewis en Crok gaan volledig uit van de aanname van het IPCC dat alle opwarming tot nu toe door broeikasgassen veroorzaakt is. Het feit dat ons klimaat mechanismes (zogeheten positieve feedbacks) heeft waardoor de opwarming van de aarde afremt, is dan dus nog niet meegenomen.

Veel onduidelijkheid

Als we de twee beschreven bevindingen meenemen in onze waardering van de klimaatwetenschap, zien wij nog veel onduidelijkheid over de omvang van de klimaatopwarming en de factoren die daaraan ten grondslag liggen. Wij beschouwen klimaatverandering dan ook niet in die mate als een probleem dat het beslist in de komende decennia opgelost moet worden.

Paul de Korte is student Health Economics, Jacob van der Tang is bezig met een promotieonderzoek naar de financiering van collectief schadeverhaal en de afronding van de master Theology and Religious Studies (VU). Beide auteurs zijn lid van studentenvereniging Solidamentum. Dit artikel is gebaseerd op een artikel in Fundamenteel, het landelijke blad van deze studentenvereniging.