Klimaatdiscussie religieus geladen

Christenen delen niet het visioen van een aards paradijs; of dit nu groen is door duurzaamheidsgelovigen als Jesse Klaver (GroenLinks), of dat het bevolkt wordt door klimaatsceptici als Baudet. Foto: Klaver en Baudet tijdens een debat in de Tweede Kamer over het klimaatakkoord. beeld ANP, Robin Utrecht

Religie speelt in de huidige Nederlandse samenleving een beperkte rol. In de klimaatdiscussie blijkt echter dat het debat ideologisch geladen is. Het gaat om meer dan alleen vermindering van de uitstoot van CO2 en verduurzaming van energie. De fundamentele vraag is hoe mensen in deze wereld staan.

Het debat over klimaatverandering kent religieuze trekken. Vooral tegenstanders van de maatregelen om het klimaatakkoord van Parijs (2015) te halen, wijzen hierop. In zijn overwinningstoespraak op de avond van de verkiezingen voor de Provinciale Staten gebruikte de leider van Forum voor Democratie religieuze taal.

Volgens Thierry Baudet is het klimaat een nieuwe politieke religie van mensen die in niets geloven, maar wel een afgod hebben: energietransitie. Hij sprak over een geseculariseerd zondvloedgeloof; over honderden miljarden die geofferd worden op het altaar van de klimaatafgod.

Maar ook bij belijdende christenen staat het klimaat nadrukkelijker op de agenda. De week van de schepping, rond biddag voor gewas en arbeid, is daar een mooi voorbeeld van. En de ChristenUnie maakt zich als christelijke regeringspartij sterk voor de uitvoering van het klimaatakkoord.

Verbinding

Christenen en niet-christenen werken gezamenlijk aan de verduurzaming van de omgang met de aarde. Maar welke religieuze vooronderstellingen heeft de klimaatdiscussie? Is er een verbinding van godsdienst en natuur?

De manier waarop politieke partijen als GroenLinks en de Partij voor de Dieren hun klimaatidealen propageren, heeft religieuze trekken. En Staatsbosbeheer organiseert meditatieve natuurwandelingen. Onder begeleiding van een gids die een speciale ”spirit of nature-training” heeft gevolgd, kunnen mensen hun relatie met de natuur onderzoeken.

Blijkbaar hebben mensen behoefte aan een groter verhaal, iets dat houvast geeft. Dat is opvallend, want in de afgelopen decennia zijn de grote zingevingsverhalen juist in onbruik geraakt. Massaal namen mensen afscheid van het christelijk geloof; maar ook socialisme en communisme raakten uit de gratie.

Kenmerkend voor een groot verhaal is dat mensen zich deel weten van een groter geheel. In het geval van de natuur is dan de redenering: deze wereld was er al voordat mensen er waren, en ze blijft ook als mensen er niet meer zijn. De zorg voor het klimaat is dan een gevolg van de opdracht om de wereld door te geven aan de komende generatie.

In de klimaatdiscussie ligt het accent doorgaans op het bereiken van de doelstellingen van Parijs: welke middelen zijn nodig tegen de opwarming van de aarde? Hierbij kunnen mensen met verschillende idealen en geloofsovertuigingen samenwerken. Het coalitieakkoord laat zien dat zelfs klimaatsceptici en mensen die aandringen op drastische maatregelen elkaar kunnen vinden.

Binnenkant

Het debat heeft behalve een buitenkant echter ook een binnenkant. Hierbij gaat het om de innerlijke motivatie: waarom maken mensen zich druk om het milieu? Waarom denken ze niet: na ons de zondvloed? Juist deze persoonlijke motivatie heeft te maken met religieuze vooronderstellingen; of het nu gaat om het christelijk geloof of een geseculariseerd geloof in moeder Aarde.

Bij geloof gaat het echter om een godsbeeld, een mensbeeld en een wereldbeeld. Hoe verhouden mensen zich tot God of het goddelijke, hoe zien ze zichzelf en hoe kijken ze naar de wereld? Op dit punt staat de klimaatdiscussie er weinig rooskleurig voor.

Meer dan tien jaar geleden wees dr. Maarten Verkerk, bijzonder hoogleraar reformatorische wijsbegeerte, erop dat er in het duurzaamheidsdebat weinig aandacht is voor de achtergrond van de ecologische crisis. Volgens hem vormt de menselijke autonomie, samen met het vooruitgangsgeloof, een giftige cocktail. Als de mens zichzelf in het middelpunt van de cultuur stelt, blijft hij altijd bezig om de natuur naar zijn hand te zetten.

Bij een klimaatideologie zonder God staat de mens in het middelpunt. De klimaatdiscussie laat zien dat mensen aan de ene kant kunnen erkennen dat de mens deze wereld verwoest en anderzijds overtuigd zijn van de menselijke mogelijkheden om de problemen te lijf te gaan.

Daarmee wekt men de indruk dat het klimaatprobleem vooral een technisch en economisch probleem is; met veel goede wil en met flinke politieke maatregelen kunnen we het oplossen. Ook als men erkent dat de mens schuldig staat in het klimaatdrama, is de remedie dat de mens vooral zijn best moet doen om het probleem op te lossen. Dit hoort bij een geseculariseerd geloof: want als de mens de oplossing niet geeft, waar komt die dan vandaan? Dan is het alsnog: na ons de zondvloed, in dit geval door de opwarming van de aarde. Bij alle goede bedoelingen is de motivatie ten aanzien van klimaatmaatregelen en duurzaamheid binnenwerelds: mensen moeten hun paradijs in stand houden, want anders houden ze niets over. Hier heeft Baudet een punt: er bestaat een geseculariseerd zondvloedgeloof.

Rentmeesterschap

Op dit punt lijken christenen betere papieren te hebben. Bij hen gaat het immers om rentmeesterschap. Daarmee is de autonome mens echter niet monddood gemaakt. Dit blijkt al bij het begrip rentmeesterschap. Hoewel het vertrouwd klinkt, heeft het ook een ongemakkelijke kant. Bijbels-theologisch is het verbonden met de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester. Als zijn heer hem ontslag aanzegt wegens wanbeheer, pleegt deze rentmeester valsheid in geschrifte. Hij geeft mensen onterechte schuldverlichting. Daarmee creëert hij een sociaal vangnet van mensen die hem na zijn ontslag zullen opvangen. Hoewel zijn heer hem prijst voor zijn vooruitziende blik, blijft het echter een onrechtvaardige rentmeester. Zijn motivatie is eigenbelang. Die gelijkenis moet in elk geval een waarschuwing zijn: ook Bijbels gefundeerde klimaatpolitiek is niet per definitie vrij van eigenbelang.

Christenen zullen juist moeten erkennen dat ze medeschuldig zijn aan de uitbuiting van de aarde. Deze schuld heeft niet alleen betrekking op de volgende generatie, die met een vervuilde wereld zit opgescheept. Het is vooral schuld tegenover God. Deze wereld is immers Zijn scheppingswerk. Vanuit dit perspectief is het verzet van Baudet tegen klimaatmaatregelen laakbaar. Uiteindelijk tapt hij uit hetzelfde vaatje als seculiere klimaatgelovigen: de mens is de maat van alle dingen. Baudet kiest slechts voor een ander paradijs.

Christenen moeten in het debat trouw zijn aan hun eigen idealen. Ze delen immers niet het visioen van een aards paradijs; of dit nu groen is door duurzaamheidsgelovigen als Jesse Klaver (GroenLinks), of dat het bevolkt wordt door klimaatsceptici als Baudet. Voor een christen telt dat deze wereld Gods wereld is. Mensen zijn immers geroepen om God te dienen; en ze zullen eenmaal verantwoording moeten afleggen aan God. Ook over hoe ze met Zijn wereld zijn omgegaan.

Bij het trouw zijn aan de eigen idealen hoort ook het geloof in Gods belofte van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Anders dan Baudet én geseculariseerde zondvloedgelovigen heeft een christen meer dan deze wereld. Gods belofte stelt de hele klimaatdiscussie in een ander licht. Hij hoort het zuchten van de schepping ook; en Hij maakt van deze wereld weer Zijn paradijs. Dit geloof maakt waakzaam én nuchter.