Kerkganger en vluchteling zijn reisgenoten

„Allen die naar het betere vaderland begerig gemaakt zijn, zien vluchtelingen niet als ondankbare, rechten opeisende ruziezoekers.” Foto: asielzoekerscentrum in Ter Apel. beeld ANP, Vincent Jannink

Wie de stad die fundamenten heeft verwacht, gunt arbeidsmigranten en vluchtelingen ook een plaats in het hemelse vaderland, betoogt J. Koster.

In Hebreeën 11:13 lezen we: „...en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren.” Deze woorden worden weleens in verband gebracht met de stroom mensen die sinds de jaren zestig van de vorige eeuw naar ons land kwamen om hier werk te zoeken.

Nog steeds komen er gastarbeiders, inmiddels arbeidsmigranten genoemd, naar Nederland, omdat ze hier meer en gemakkelijker geld kunnen verdienen dan in hun thuisland. Tegenwoordig zijn het vaak Polen, Roemenen en Hongaren. Daarnaast kennen we anno 2018 een immense stroom vluchtelingen, op zoek naar rust en veiligheid ergens op deze aarde.

Al zijn zij in de letterlijke betekenis ”gasten en vreemdelingen”, het zijn niet degenen die Paulus bedoelt als hij het in Hebreeën 11 heeft over de geloofshelden die „gasten en vreemdelingen op de aarde” waren. In vers 14 staat: „Want die zulke dingen zeggen, betonen klaarlijk dat zij een vaderland zoeken.” En uit vers 16 blijkt dat het niet om het aardse, maar om het hemelse vaderland gaat. Dat is van een heel andere orde dan de economische redenen voor arbeidsmigratie en de veiligheid die vluchtelingen zoeken. Hoewel: wie zou voor zichzelf en zijn gezin geen veilige plaats zoeken als het leven door oorlog of ander geweld in gevaar is?

Taalbarrière

Het artikel ”Poolse werkers onmisbaar in Nederland” (RD 6-1) ging met name over het imago van de Polen. Over hun goede arbeidsethos, hun slechte huisvesting en hun drankgebruik. Toen ik het artikel las, herinnerde ik mij een onverwachte ontmoeting op een zaterdagavond met een vreemdeling in de poort. Ik was op weg naar huis toen ik, in het licht van de koplampen, op het brede fietspad een rood lichtje zag dat meer op een dansende lampion leek dan op het achterlicht van een fiets. Toen ik het passeerde, zag ik in een flits dat het een fietser was die kennelijk de macht over het stuur kwijt was. Hij verdween in de brede sloot. Er flitsten allerlei gedachten door mijn hoofd. Dronken? Onwel geworden? Het leven moe?

2018-01-06-accVVP2-Polen_huisvesting-6-FC-V_webPoolse werkers onmisbaar voor Nederland

Ik trapte op de rem, keerde en reed door de berm het fietspad op. Want wie hij of zij ook was, het was een mens met een ziel voor de eeuwigheid. Langzaam reed ik verder en toen zag ik iemand, strompelend naast een fiets, door de berm mij tegemoetkomen. Het was een jongeman, in een gedeeltelijk nat pak. Hij keek me argwanend aan. De gelaatstrekken verraadden zijn Oost-Europese afkomst. Een arbeidsmigrant, vermoedde ik, die een deel van zijn verdiende geld op deze zaterdagavond verdronken had.

Ik vroeg hem of het goed met hem ging. Helaas bleek de taalbarrière een gesprek onmogelijk te maken. Hij hief afwerend zijn handen op, schudde zijn hoofd en mompelde iets van: „No problem.” Ik wenste hem toen maar een goede reis. Er brak een glimlach door op zijn gezicht. Hij was kennelijk blij dat ik niet verder vroeg.

Vol gedachten keek ik hem nog even na. Was deze jongeman echt wat ik dacht? Een arbeidsmigrant die zich te buiten was gegaan aan drank? En waarom? Ik kon er slechts naar raden. We generaliseren zo snel als het om de vreemdeling in de poort gaat. Eén ding was zeker: hij was een naaste, een medereiziger naar de eeuwigheid.

Geen concurrenten

Ook de volgende morgen, toen ik weer onder de klanken van Gods Woord zat, hield de ontmoeting me bezig. Ik hoorde vanaf de preekstoel dat er mensen zijn die zich leren kennen als gasten en vreemdelingen die begerig zijn naar een beter, een hemels vaderland.

Ik dacht aan de jongeman. Had ik nog meer kunnen doen voor deze verre naaste die even heel dichtbij was? En wat onderscheidde mij van hem? We zijn allemaal op reis en hebben hier geen van allen een blijvende stad.

Allen die naar dat betere vaderland begerig gemaakt zijn, verwachten de stad die fundamenten heeft. Voor hen zijn arbeidsmigranten geen concurrenten op de arbeidsmarkt. Voor hen zijn vluchtelingen geen ondankbare, rechten opeisende ruziezoekers. Zij gunnen hun naasten van harte ook een plaats in de stad welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.

De auteur is uitgever bij uitgeverij en boekhandel Gebr. Koster in Barneveld.