Kerkelijke autonomie verplicht om eigen zaken goed op orde te hebben

„Het grensgebied tussen kerkelijk en wereldlijk recht is dynamisch en blijft intrigeren.” Foto: standbeeld van ”Vrouwe Justitia” bij de Alte Nikolaikirche in de binnenstad van Frankfurt. beeld iStock

Juist als een kerkrechtelijke visie nogal verschilt van wat buitenkerkelijk gebruikelijk is, is het nodig om, intern en naar buiten toe, helder te kunnen maken waarop de eigen visie berust en daarbij de relatie met de geloofsinhoud te leggen.

Kan een kerklid met succes inzage verlangen in de eigen persoonsgegevens, ook al gaat het om interne of vertrouwelijke kerkelijke stukken? Is een arbeidsrelatie van een predikant met zijn kerk nu wel of niet te zien als een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht? Blijft het ambtsgeheim van geestelijken ook overeind in strafrechtelijke procedures?

Dit zijn vragen waarover de rechter vorig jaar te oordelen kreeg. Deze uiteenlopende zaken hebben met elkaar gemeen dat zij zich bewegen op het grensgebied van kerkelijk recht en wereldlijk recht.

Het is niet verbazend dat de rechter ze krijgt voorgelegd. Nieuwe wetgeving roept nieuwe vragen op, zoals het geval is bij privacybescherming. Antwoorden op klassieke vragen worden van tijd tot tijd getest, zoals die op de vraag naar de arbeidsrelatie tussen predikant en kerk. En maatschappelijke veranderingen, zoals een strenger strafklimaat en het religieuze en levensbeschouwelijke pluralisme, zorgen ervoor dat de toepassing en houdbaarheid van het verschoningsrecht voor geestelijken betwist wordt. Het grensgebied tussen kerkelijk en wereldlijk recht is daarmee dynamisch en blijft intrigeren. De kerkelijke inrichtingsvrijheid, ook wel genoemd de kerkelijke autonomie, is daarbij in het spel.

Niet alleen de rechter, ook de wetgever buigt zich regelmatig over de reikwijdte van de kerkelijke autonomie. Dat gebeurt vaak in de context van onderwerpen die op het eerste gezicht niets met kerkelijke autonomie te maken hebben. Dat maakt de afweging niet minder belangrijk. Denk aan privacybescherming of het tegengaan van witwassen.

Drie ontwikkelingen

Ik zie een drietal ontwikkelingen die de reikwijdte van de kerkelijke autonomie raken.

De eerste is dat uitzonderingen die de wet maakt om recht te doen aan de inrichtingsvrijheid van kerken soms als ”privilege” worden gezien: een afwijking van gelijke behandeling ten opzichte van andere organisaties in plaats van een gerechtvaardigd rekening houden met die vrijheid.

De tweede ontwikkeling is dat voorzieningen die traditioneel georganiseerd zijn via ”kerkelijke richtingen” onder druk staan. Voorbeelden zijn discussies over het richtingenbegrip in het onderwijs of de geestelijke verzorging. Dit zou ertoe kunnen leiden dat scholen opgericht worden zonder dat ze een grondslag moeten hebben in een levensbeschouwelijk richtinggevend principe. Voor geestelijke verzorging betekent dit het aanstellen van functionarissen die niet een kerkelijke zending hoeven te hebben.

De derde ontwikkeling is vooral ingegeven door zorgen over de islam. Zo circuleert er nu een conceptwetsvoorstel Transparantie maatschappelijke organisaties, dat de overheid inzicht wil bieden in substantiële donaties aan die organisaties, in het bijzonder religieuze. Het concept heeft terecht veel kritiek geoogst. De zorgen van de overheid zijn vrij specifiek; de voorgestelde regelgeving is generiek en veel breder dan de specifieke zorgen rechtvaardigen. Vanwege het beginsel van gelijke behandeling maakt het concept geen onderscheid tussen religies.

Al deze ontwikkelingen worden ingegeven door vergelijkbare maatschappelijke veranderingen: ontkerkelijking, grotere religieuze verscheidenheid, individualisering en het anoniemer worden van de samenleving. Dit alles uiteraard in een wisselende mix.

Opdrachten

Kerken doen er goed aan als ze nadenken over de manier waarop zij hiermee wensen om te gaan. Welke vragen, uitdagingen of opdrachten liggen hier voor de kerken? Ik formuleer er een paar. De drie ontwikkelingen loop ik dan in omgekeerde volgorde langs.

De derde ontwikkeling: Het is terecht dat de overheid gerechtvaardigde zorgen die het functioneren van de democratische rechtsstaat raken, probeert te adresseren. Ook als deze zorgen samenhangen met religie. De kunst voor de wetgever is dan wel om zowel effectieve maatregelen te nemen die niet zó breed zijn, dat zij hun doel voorbijstreven. Het kan geen kwaad wanneer kerken hierop alert blijven en zo nodig hierop wijzen of alternatieven bieden.

De tweede ontwikkeling: Dat het ”richtingen”-begrip ter discussie wordt gesteld, is gelet op maatschappelijke veranderingen niet helemaal verrassend. Toch schuilt in het richtingenbegrip juist een essentiële waarde. Die waarde ligt in de herkenbaarheid, niet alleen naar binnen maar óók naar de buitenwereld toe, van datgene waar een organisatie voor staat of datgene waarvoor een geestelijke van die richting staat. Het ondoordacht overboord gooien van dat richtingenbegrip door de overheid is daarom onverstandig.

Onafhankelijk van de toekomst van dat begrip is het voor de kerken van belang om na te denken over hoe zij hun eigen herkenbaarheid kunnen blijven organiseren en daarin kunnen blijven investeren. Daarmee kunnen zij dan de eigen richting zichtbaar laten blijven. Natuurlijk betekent dat niet per definitie dat zij die voorzieningen dan ook alleen maar toegankelijk moeten laten zijn voor de eigen achterban. Geestelijke verzorging werkt trouwens al sinds jaar en dag op basis van toegankelijkheid voor allen die daarom vragen. Het gaat hier dus vooral om het herkenbaar blijven van de aanbodzijde.

De derde ontwikkeling: Daar lopen wij aan tegen de volgende paradox: hoe meer de kerkelijke vrijheid wordt ingevuld op een ”gewone” manier, hoe meer die maatschappelijk gezien als ”verwaterd” wordt beschouwd. De beschermwaardigheid van die vrijheid wordt dan al snel in twijfel getrokken. Hoe meer die vrijheid een uitgesproken eigen invulling krijgt, hoe sneller die als controversieel wordt ervaren.

Kortom, de druk komt van twee kanten: zowel bij al of niet schijnbare assimilatie als bij een zichtbaar sterke benadrukking van de eigenheid. Het terrein van het bijzonder onderwijs levert hier goede voorbeelden op. Dit speelt ook bij kerken zelf, zeker bij kerkelijke arbeidsverhoudingen. Hoe hiermee om te gaan? Ik doe een paar suggesties.

Coaching

Om te beginnen is het voor kerken van betekenis de eigen intern-kerkorganisatorische zaken goed op orde te hebben. Daarmee bedoel ik de eigen inrichting en de daarvoor noodzakelijke regelingen van de interne verhoudingen. Daarbij hoort ook de vaardigheid om daarmee op een zorgvuldige, faire en sociaal verantwoorde manier om te gaan. Omgaan met fricties bij arbeidsverhoudingen en complexere besluitvormingsprocessen is niet altijd even makkelijk. Goede voorlichting, (interne) coaching of advies kunnen daarbij nuttig zijn.

Juist wanneer een kerkrechtelijke visie nogal verschilt van hetgeen buitenkerkelijk gebruikelijk is, is het nodig om zowel intern als naar buiten toe helder te kunnen maken waarop de eigen visie berust en daarmee de relatie met de inhoud van het geloof te leggen. Dat vergroot het begrip. Op een iets andere manier geldt dat ook voor gevallen waarin de eigen visie juist niet of nauwelijks afwijkt van het gebruikelijke.

Intern kunnen visies zich ontwikkelen en maatschappelijke veranderingen kunnen leiden tot verlegging van accenten. Ook daarin is er kerkelijke autonomie. Dat maakt het goed om intern ruimte te bieden om te blijven reflecteren op wat wezenlijk is en wat niet, en voor beide de juiste woorden te blijven vinden.

De auteur is hoogleraar Religie, recht en samenleving aan de Radboud Universiteit. Dit artikel is gebaseerd op de lezing die zij in december hield op een congres over kerkrecht in Apeldoorn.