Kerkelijk belijden in de 21e eeuw

Het belijden van de kerken van de Reformatie is fragmentarisch geworden, en meest doen zij er het zwijgen toe. Foto: Grote of Sint-Jacobskerk in Vlissingen. beeld Erdee Media Groep

Op veel plaatsen werd de afgelopen weken de Synode van Dordrecht herdacht. Daarbij ging het vaak over de Dordtse Leerregels. Terecht, want die zijn vol zeggingskracht, zelfs na 400 jaar. Ze behoren tot onze belangrijke belijdenisgeschriften. Maar zijn ze ook voldoende?

Waarschijnlijk niet volgens de ondertekenaars van de verklaring ”Homoseksualiteit vraagt om hernieuwd belijden” (RD 6-12). Zij stellen dat de kerken in Nederland bezig zijn te buigen voor de gedachte dat homoseksualiteit ook binnen de kerken aanvaardbaar moet zijn. De dertien ondertekenaars, onder wie dr. P. de Vries en dr. B. J. Spruyt, maken zich hierover zorgen. Zij vinden daarom dat de stem van de belijdende kerk over dit onderwerp moet klinken, zoals die ook klonk toen de zogeheten Barmer Thesen in 1934 werden opgesteld door de Bekennende Kirche.

De ondertekenaars stellen hiermee impliciet een belangrijke vraag aan de orde. Is het voor kerken vandaag voldoende om zich te beroepen op de klassieke belijdenisgeschriften? Of zijn kerken geroepen zich opnieuw uit te spreken wanneer nieuwe thema’s aan de orde zijn, zoals de opmars van het nazisme of groeiende acceptatie van homoseksualiteit?

Sommigen zijn van mening dat hernieuwd belijden niet nodig is, omdat alle grote vragen over het verstaan van de Bijbel in het verleden al eens aan de orde zijn geweest, en de klassieke belijdenisgeschriften hiervan de weerslag vormen.

Ietsisten

Daar valt iets voor te zeggen. Neem de Dordtse Leerregels. Zoals bekend gaan die hoofdzakelijk over de soevereiniteit van God. Daarmee gaan ze over de grote vraag waar het altijd weer over gaat: is God God of is de mens dat? Is de wil van mensen leidend of de wil van God? Uiteindelijk is dit de vraag van alle vragen. Het was de slang die deze vraag in het paradijs op subtiele wijze introduceerde. Het betekende de val van de mens dat hij als God wilde zijn, en dus niet langer wilde accepteren dat God God was. Het is ook deze vraag die de zondige mens steeds opnieuw is blijven opwerpen, en die het hart vormt van alle ketterijen van alle eeuwen. En het is uiteindelijk ook de grote vraag van onze postmoderne agnostische eeuw, die bevolkt wordt door ”ietsisten”. De grondige doordenking van juist deze vraag maakt dat de Dordtse Leerregels bijzonder actueel zijn.

Maar geven klassieke belijdenisgeschriften zoals de Dordtse Leerregels daarmee ook voldoende antwoord op de grote ingrijpende vragen van ons tijdsgewricht? Verwoorden ze voldoende het belijden van de kerk in een tijd waarin sprake is van totale omkering van alle waarden, en waarin bovendien de kerken van de Reformatie zelf sterk beïnvloed worden door de geest van de tijd?

Het stellen van deze vraag kan argwaan oproepen. Alsof hiermee gemorreld wordt aan de autoriteit van de klassieke belijdenisgeschriften. Daar gaat het echter niet om. De Dordtse Leerregels hebben, evenals de andere Formulieren van Enigheid, niet voor niets een grote, gezaghebbende plaats verworven. Het valt moeilijk in te zien hoe ze verbeterd zouden kunnen worden. Soms wordt opgemerkt dat onze vaders veel helder licht bezaten, en dat wij walmende nachtpitjes zijn. Daar zit veel waars in.

Tegelijk wordt de kerk van onze eeuw ontegenzeggelijk geconfronteerd met nieuwe fundamentele ontwikkelingen. Het on-Bijbelse denken over homoseksualiteit is een uiting van oprukkende genderideologie, die de scheppingsorde tot op het bot aantast. Ook andere recente ontwikkelingen gaan dwars tegen Gods Woord in: de verafgoding van wetenschap als enige kenbron van objectieve waarheid, de verheerlijking van ongebreidelde individuele vrijheid als grondrecht, de ontkenning van absolute normen en waarden, de aantasting van de beschermwaardigheid van het menselijk leven, het geloof in schepping door evolutie, enzovoort.

Het is uiteraard niet zo dat er rond deze onderwerpen geen bezinning plaatsvindt. Er verschijnen allerlei artikelen, rapporten en boeken. In commissies, deputaatschappen en stichtingen en op hogescholen en universiteiten wordt grondig nagedacht. Maar het belijden van de kerken van de Reformatie is fragmentarisch geworden, en meest doen zij er het zwijgen toe. De kerkelijke verdeeldheid speelt hierin ongetwijfeld een rol. De noodzaak om te belijden, lijkt vooral ‘uitbesteed’ te zijn aan maatschappelijke organisaties of individuele opinieleiders.

Helder getuigenis

De vraag of kerken de plicht hebben tot hernieuwd belijden mag echter niet zomaar verdrongen worden. Dat wordt te meer duidelijk wanneer de ontstaansgeschiedenis van onze belijdenisgeschriften nagegaan wordt. De Nederlandse Geloofsbelijdenis ontstond omdat Guido de Brès zich gedrongen voelde om het belijden van de kerk van de Reformatie te verdedigen tegen de wederdopers. De Dordtse Leerregels werden geformuleerd door het debat met de modernen van de 16e en 17e eeuw, waardoor kerk en maatschappij verscheurd dreigden te worden. In die omstandigheden wist de kerk zich geroepen tot een helder getuigenis. Ze kon niet langer zwijgen. Ze moest spreken. Alleen zo kon de Naam van de HEERE geheiligd worden.

De kerken van de Reformatie stelden hun belijden dus op schrift, net zoals de vroege christelijke kerk dat had gedaan, dwars tegen de geest van de tijd in. Het gaat er in onze eeuw daarom niet om of we in staat zijn om een nieuw klassiek belijdenisgeschrift op te stellen dat zich kan meten met de belijdenisgeschriften die we al hebben, om dan als reformatorische kerken met elkaar te besluiten om dit geschrift voortaan achter in onze Bijbeltjes op te nemen als vierde Formulier van Enigheid. En het gaat er al helemaal niet om de drie bestaande Formulieren van Enigheid te vervangen of aan te passen. Dat zou van hoogmoed getuigen. Bovendien, God bepaalt welke geschriften de tand van de tijd doorstaan en welke niet.

Wel gaat het erom Gods Naam getrouw te belijden, steeds opnieuw. In het ”Examen van tolerantie” van Holtius en Comrie worden drie redenen genoemd waarom belijdenisgeschriften noodzakelijk zijn: om de onschuld van het belasterde christendom te bewijzen, om de innerlijke welstand en vrede van de kerk te bevorderen en om opkomende ketterijen te bestrijden.

De vraag welke van deze redenen anno 2018 aanwezig zijn, is urgent. In 1618 sprak de kerk duidelijke taal. De kerk van 2018 lijkt haar tong verloren te hebben.