Kerk moet zich niet laten meeslepen in triomf moderne ‘ik’

De samenleving is op drift. Eeuwenoude instituties als gezin en kerk staan op de tocht. Maar ook de persoonlijke identiteit ligt niet meer vast: we kunnen kiezen wie we willen zijn. De kerk loopt het risico voor therapeut te gaan spelen. Een beter antwoord ligt in de houding van de Vroege Kerk.

Historici relativeren het heden. Wanneer iemand zegt dat de tijd waarin we nu leven uniek is, heeft de historicus de taak erop te wijzen dat die gebeurtenis of dat gedragspatroon eerder zichtbaar was; bijvoorbeeld in het 13e-eeuwse Florence of het klassieke Athene, of tijdens de Tang-dynastie in China. Zo’n relativering is een nuttige correctie voor de verleiding om de huidige tijd te verafgoden of af te doen als één grote catastrofe.

Maar ondanks de continuïteit met het verleden vertoont de huidige tijd een aantal ziektes die nu gelijktijdig optreden. En dat is ongekend. We doen er goed aan na te denken over de gevolgen daarvan, zodat we niet te veel in paniek raken of te veel op onze lauweren gaan rusten.

Het ongekende van deze tijd is dat twee verschijnselen nu tegelijk optreden. Het ene is de opkomst van het psychologische begrip van het zelf. Daarbij draait het om authenticiteit. Het geeft de meeslepende illusie dat we allen kunnen zijn wie we willen zijn. Het ‘ik’ is kneedbaar, vervormbaar. Het andere verschijnsel is dat traditionele instituties –gezin, kerk, natie– hun stabiliteit verliezen. Zij worden steeds veranderlijker en vergankelijker.

Gedesoriënteerd

Deze twee fenomenen zijn afzonderlijk genomen al opmerkelijk genoeg. Nu vallen ze samen en zijn ze onderling verbonden. Zowel onze samenleving als ons eigen identiteitsgevoel is volop in verandering. Daardoor raken we gedesoriënteerd en slaan we op drift.

De symptomen van deze malaise zien we overal om ons heen. Het is vreemd dat er tegenwoordig meer angst heerst dan bijvoorbeeld vijftig of honderd jaar geleden. We genieten hedentendage groot materieel gemak, zoals de technologisch meest geavanceerde gezondheidszorg ooit. Daarbij hoefde ik als kind ook niet, net als mijn vader, te rennen naar de schuilkelder om mijn leven te redden bij een bombardement van de Duitse Luftwaffe in de Tweede Wereldoorlog. Het leven is nu stukken beter, uiterlijk tenminste.

Maar meer studenten dan ooit tevoren vragen tegenwoordig om psychologische hulpverlening. Nieuwssites brengen vaak tragische verhalen over zelfmoorden onder tieners. De woede en verontwaardiging in het onlineleven en het publieke domein kenmerken een tijdperk waarin veel onbehagen leeft. Mijns inziens is dat te wijten aan twee ontwikkelingen die samen op gaan: het psychologische zelf en de veranderende instituties.

Wat is het psychologische zelf? Het is de gedachte dat we zijn wie we voelen dat we zijn. Het doel van het leven ligt daarbij in het innerlijk, het gaat om psychische bevrediging. Daardoor kun je ook je eigen identiteit kiezen, los van elke autoriteit die groter is dan de persoonlijke overtuiging.

Transgenderisme

De ideologie van het transgenderisme is slechts de recentste en extreemste vorm van die opvatting. Onze kinderen moeten we nu leren dat zelfs het lichaam geen gezaghebbende gids is voor hun geslacht – een dramatische en verontrustende ontwikkeling. Die ideologie legt een enorme verantwoordelijkheid op hen – een goddelijke verantwoordelijkheid, zou je kunnen zeggen – zonder dat hun verteld wordt hoe zij die kunnen dragen. Hoewel transgenderisme nieuw is, is het slechts een symptoom van het psychologische zelf dat diepe en eeuwenoude wortels heeft in de westerse intellectuele traditie.

De Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) is een belangrijke bron, met zijn uitdagende idee dat wat wij leren ons juist corrumpeert en ons belemmert om werkelijk onszelf te zijn. Ongecultiveerde instincten en gevoelens maken uit wie we echt zijn; de beschaving belemmert, verdraait en verhindert die alleen maar. Cultuur zorgt ervoor dat we aan de eisen van de beschaving voldoen en maakt ons on-authentiek.

Natuurlijk lezen maar weinig mensen Rousseau. Toch is de idee dat geluk zelfontplooiing is, ofwel persoonlijke psychologische voldoening, precies wat soapseries, films en zelfs commercials meegeven. Dit verhaal, deze illusie, heeft grote gevolgen. Wanneer het doel van het menselijk bestaan persoonlijke psychologische bevrediging is, dan staan alle morele codes ten dienste van dat subjectieve, psychologische doel. De ethiek mag voortdurend aangepast worden om het bereiken van die bevrediging maar mogelijk te maken.

De samenleving heeft seks gekozen als middel om zichzelf te ontplooien – misschien wel als dé manier. Daardoor is elke poging om een ethische code voor seksueel gedrag op te leggen een aanslag op het individu. Individuen worden dan gedwongen om onecht te zijn en, inderdaad, ongelukkig. Iedereen die probeert seksuele codes op te leggen, doet aan onderdrukking of is een ”hater”. Elke criticus van de morele puinhoop die de late moderniteit ervan gemaakt heeft, wordt op deze manier de mond gesnoerd.

Concurrerende kerken

Het psychologische zelf is een ongrijpbaar, subjectief concept geworden, het verval van instituties heeft de situatie nog verergerd. Als we alleen al naar drie instituties kijken –het gezin, de kerk en de natie– is het duidelijk dat elk van de drie ingrijpend is veranderd.

Het gezin is opnieuw gedefinieerd. Veel moeders werken buitenshuis, alleenstaand ouderschap is de plaag van stedelijke gemeenschappen. Scheiden terwijl er geen overspel is gepleegd, draagt geen sociaal stigma meer. Het laatste is een signaal dat persoonlijke bevrediging nu boven sociale verantwoordelijkheid gaat. En dit was al realiteit lang vóór het homohuwelijk.

De kerk heeft bijna geen maatschappelijk gezag meer. Schandalen doen haar morele uitspraken hypocriet lijken. Godsdienstvrijheid, hoewel een belangrijke waarde, heeft in de loop van de tijd ertoe geleid dat gemeenten en denominaties elkaar zijn gaan beconcurreren in een vrije markt voor kerkgangers. Kerken hebben toegegeven aan de smaak van de consument of vergroten minieme verschillen uit om hun marktaandeel te laten groeien.

Dan wat betreft de natie: die is verzwakt. Factoren die daaraan bijdragen zijn: wereldwijde markten, dalende geboortecijfers in het Westen, immigratiepatronen en het gevoel dat iedereen belang heeft bij alle gebeurtenissen wereldwijd, door de huidige informatietechnologie.

De polarisatie binnen de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk door de verkiezing van Donald Trump en de brexit laat zien dat de nationale identiteit niet langer in staat lijkt te zijn om, boven politieke onenigheid uit, tegengestelde groepen aan elkaar te verbinden.

Talloze andere instituties zijn in verval of in beweging. Winkels, cafés en banken waren in lokaal bezit en beeldbepalend voor de stad waarin ik opgroeide. Die markeerden eens de continuïteit in de samenleving en waren ontmoetingsplekken voor de gemeenschap. Grote winkelketens en internet hebben nu veel lokale voorzieningen de das omgedaan. Zelfs de bank in mijn geboortestad straalde degelijkheid uit – gemaakt van zandsteen, met zijn prachtige deuren omlijst met imposante Dorische pilaren. Zijn boodschap? „Ik was hier voordat je werd geboren, en ik zal hier na jou ook zijn. Je kunt me vertrouwen.” Tegenwoordig lijken banken naar mijn idee van karton gemaakt te zijn. Hun boodschap? „We zijn vorige week gearriveerd en misschien zijn we overmorgen weer weg. Vertrouw ons op eigen risico.”

De veranderingen die instituties ondergaan, kunnen niet los worden gezien van de desoriënterende ervaring van het psychologische zelf. Instituties vormen ons als individuen. Ik ben wie ik ben en ik weet wie ik ben vanwege het gezin (het stabiele gezin) waarin ik ben opgegroeid en de school waar ik werd opgeleid, de universiteit waar ik studeerde. Wanneer die bakens waardoor ik mijn wereld begrijp, verdwijnen of steeds verzet worden, dan verander ik zelf ook voortdurend. Rusteloosheid en ontevredenheid zijn het gevolg.

Deze analyse is geen klaagzang en komt niet voort uit een nostalgisch verlangen. Elk tijdperk heeft zijn kwalen. Ik zou bijvoorbeeld niet willen leven in een tijd waarin kinderen werken als schoorsteenveger. Laten we geen energie verspillen aan het jammeren over deze tijd. Wel moeten we dit tijdperk begrijpen om er vervolgens wijs op te kunnen reageren.

Niet capituleren

Hoe moet de kerk reageren? Ik doe drie suggesties. Laat de kerk allereerst niet capituleren voor de wereld van het psychologische zelf. Het gevaar is dat de godsdienstige vrije markt ons allen tot verkopers maakt die het product (het geloof) proberen af te stemmen op de eisen van de markt. De munteenheid van de hedendaagse markt is het therapeutische. Dat maakt de behoeften van de mens tot uitgangspunt. Hoe kerken dit kunnen tegengaan en toch overleven, lijkt menselijk gezien vrijwel onmogelijk.

Theologisch gezien is de kerk echter uiteindelijk het werk van de soevereine God. Wat mensen vooral nodig hebben, is niet de therapie die ze verlangen, maar een zorgvuldige uiteenzetting en toepassing van het christelijk geloof. De leer van de schepping moet worden benadrukt. Die verankert de menselijke natuur en legt de basis voor het begrijpen van onze rebellie tegen God en de noodzaak van verlossing. We moeten onderstrepen dat in Christus die verlossing te vinden is.

Natuurlijk maken psyche en gevoelens deel uit van ons menszijn. We hebben een innerlijk leven. Maar het therapeutische model, dat God alleen betekenis toekent voor zover Hij de menselijke behoeften bevredigt, is geen christendom.

Het christendom begint en eindigt met God. Menselijke behoeften krijgen niet de hoogste prioriteit. Augustinus’ ”Belijdenissen” kan hierbij helpen: de eerste grote psychologische autobiografie, maar wel in de vorm van een lang gebed tot God. Augustinus reist slechts naar binnen, naar het binnenste van zijn hart, om terug naar buiten te keren en God te prijzen, niet alleen als Schepper en Verlosser, maar ook omdat Hij God is.

In de marge

Ten tweede: laat de kerk erkennen dat haar huidige positie historische overeenkomsten vertoont met de kerk van de tweede eeuw. De kerk van vandaag beweegt zich in de marge van de samenleving. De maatschappij beschouwt de overtuigingen van de kerk in toenemende mate als onzinnig en haar ethische normen als immoreel. De eisen van goed burgerschap botsen meer en meer met de eisen van het christelijk getuigenis.

Misschien wordt dat wel het meest zichtbaar bij seksuele gewoonten. Goedkeuring van bepaald gedrag (of seksuele identiteit) is een moreel gebod en een voorwaarde om lid te zijn van de samenleving.

In de tweede eeuw was het christendom ook uiterst marginaal. Christenen werden ervan verdacht dat ze zich inlieten met onterende handelingen als incest en kannibalisme. Het was bij wet verboden samen te komen, omdat dergelijke bijeenkomsten werden gezien als opruiend en het algemeen belang ondermijnend. Hier ligt ons historische precedent. Wie wil reageren op de situatie waar de kerk nu in zit, moet te rade gaan bij de kerk van de tweede eeuw.

Hechte gemeenschap

Ten derde: Laat de kerk hechte gemeenschappen vormen waarin christenen voor elkaar zorgen en elkaar ondersteunen. „Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander” (Johannes 13:35). Liefdevolle gemeenschappen zijn aantrekkelijk. De triomfen van de lgbtq-beweging zijn deels te danken aan de hechte, goed georganiseerde gemeenschap die zij vormen. Als degenen die een leugen geloven dat kunnen, dan kunnen degenen die de waarheid geloven dat ook, zo niet nog beter.

Onze tijden zijn uniek, zoals eerder geschetst. Maar ze zijn het niet helemaal, en zeker niet op die terreinen die er echt toe doen: de inhoud van het Evangelie en het karakter van de kerk.

Laat ik afsluiten met de klassieke historicushouding door het heden te relativeren. De kerk is hier eerder geweest: veracht, weggezet als immoreel, levend in de marge. Laat ons de lessen van het verleden ter harte nemen, zodat die ons kracht geven in een onzekere toekomst.

Bron: thegospelcoalition.org. De auteur is kerkhistoricus en hoogleraar Bijbelse en religieuze studies op het Grove City College (Pennsylvania). Dit essay is gebaseerd op zijn in november te verschijnen boek ”The rise and triumph of the modern self: cultural amnesia, expressive individualism, and the road to sexual revolution”.