Joodse nederzettingen in Judea en Samaria zijn niet illegaal

De Israëlische premier Netanyahu bezoekt een Joodse nederzetting op de Westoever, na de verklaring dat de Amerikaanse regering de Joodse nederzettingen in Judea en Samaria niet langer als strijdig met internationaal recht beschouwt. beeld EPA, Menahem Kahana

De Joodse nederzettingen in Judea en Samaria liggen in het gebied van het Palestina Mandaat dat de Raad van de Volkenbond in 1922 vaststelde. Dat garandeert Joden recht op immigratie en vestiging.

Op 18 november 2019 verklaarde de minister van Buitenlandse Zaken, Mike Pompeo, dat de Amerikaanse regering de Joodse nederzettingen in Judea en Samaria (Westoever) niet langer als strijdig met internationaal recht beschouwt. Dit gaat in tegen de heersende opinie, die onlangs (12 november) door het Hof van Justitie van de Europese Unie nog eens bevestigd werd in de uitspraak over de etikettering van producten uit de nederzettingen.

De nieuwe Amerikaanse positie is echter goed verdedigbaar. Allereerst gelet op het in 1922 door de Raad van de Volkenbond vastgestelde Palestina Mandaat, waarmee de vestiging van een Joods nationaal tehuis in Palestina, inclusief Judea en Samaria, een internationaalrechtelijke basis kreeg. Het garandeerde de immigratie en vestiging van Joden in Palestina. Een groot deel van het Joodse volk woonde indertijd immers nog niet in het gebied. De bedoeling van de Volkenbondsmandaten was het leiden van gebieden en volkeren naar onafhankelijkheid.

Het Mandaat is ook nu juridisch nog van betekenis. Artikel 80 van het VN-Handvest bepaalt dat de rechten die staten en vólken verkregen hebben onder een mandaat gerespecteerd moeten worden, zolang er met betrekking tot het desbetreffende territoir nog geen trustschapsovereenkomst is gesloten. Dat is met betrekking tot Palestina nooit gebeurd.

Bestandslijnen

Toen de Britse regering zich als mandataris terugtrok, riep Ben Gurion op 14 mei 1948 de staat Israël uit. Volgens het internationaalrechtelijke beginsel ”uti possidetis iuris” zijn de vóór de onafhankelijkheid bestaande bestuurlijke grenzen bepalend voor de grenzen van de nieuwe staat. Op grond daarvan en gelet op het Mandaat moeten Judea en Samaria als grondgebied van de staat Israël beschouwd worden.

Feitelijk had Israël daar vanaf 14 mei 1948 geen gezag. De uitroeping van de onafhankelijkheid werd namelijk onmiddellijk gevolgd door een aanval van vijf Arabische staten.

De uitkomst van die strijd was dat (Trans-)Jordanië Judea en Samaria en de oude stad van Jeruzalem bezette en in 1950 annexeerde. Joden die daar woonden, werden verdreven. Hun synagogen werden verwoest. Egypte bezette de Gazastrook.

De bestandslijnen die zijn vastgelegd in de wapenstilstandsakkoorden die in 1949 zijn gesloten – tegenwoordig in de krant meestal de ”grenzen van 1967” genoemd – zijn echter geen internationaalrechtelijke grenzen. Zij bepalen niets ten aanzien van de soevereiniteit over het territoir.

Zelfverdediging

Na de Zesdaagse Oorlog in juni 1967, waarin Israël zich opnieuw tegen Arabische agressie moest verdedigen, is het gebied dat onder Israëlisch bestuur kwam aanzienlijk uitgebreid, met onder andere Judea en Samaria, inclusief Oost-Jeruzalem.

De kwalificatie van deze gebieden als ”bezet” is naar mijn oordeel niet juist. Om te beginnen al niet gelet op het Mandaat. Het is ook terecht dat Israël Judea en Samaria niet als ”gewone” bezette gebieden beschouwt. Het past de Vierde Geneefse Conventie, die handelt over bezette gebieden, niet ”de iure” maar ”de facto” toe. Israël ziet de toepassing niet als een juridische verplichting. Israël heeft in 1967 niet het grondgebied van andere staten ingenomen; het gaat om gebieden die (Trans-)Jordanië en Egypte in 1948 hadden bezet, na een agressieoorlog, en niet om territoir van genoemde staten. De in artikel 2 van de Vierde Geneefse Conventie bedoelde situatie van bezetting van een territoir van een staat door een andere staat deed zich dus niet voor.

Hieraan moet nog worden toegevoegd dat het Handvest van de Verenigde Naties agressie veroordeelt (art. 2 lid 4) en daartegenover geweldgebruik ter zelfverdediging toelaat (art. 51). Het was zeker in 1967 internationaalrechtelijk relevant om vast te stellen of een gebied verworven werd in een agressieoorlog dan wel in een verdedigingsoorlog. De aanspraak van Israël ten aanzien van de verworven gebieden is daarom sterker dan die van Jordanië en Egypte. Van een Palestijnse staat was in 1967 helemaal geen sprake.

Deportatie

Het voorgaande is van belang voor de status van de Joodse nederzettingen in Judea en Samaria. Deze bevinden zich in het gebied van het Mandaat, dat het recht van Joden op immigratie en vestiging garandeert. De door Israël met de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) gesloten Oslo-akkoorden (in 1993 en 1995) bepalen niet dat de nederzettingen illegaal zijn. Daarin wordt wel uitdrukkelijk vastgesteld dat Israël verantwoordelijk is voor hun veiligheid.

Het Internationaal Gerechtshof (IGH) heeft echter in een niet-bindend Advies van 9 juli 2004 gesteld dat de vestiging van nederzettingen in de volgens het Hof ‘bezette’ gebieden in strijd is met het internationaal humanitair recht, dat aan een bezettende macht verbiedt om delen van zijn eigen bevolking te deporteren of te verplaatsen naar bezette gebieden (art. 49 lid 6, Vierde Geneefse Conventie). Deze bepaling moet gelezen worden tegen de achtergrond van de massale deportaties gedurende de Tweede Wereldoorlog, waarbij de nazi’s en de sovjets onder dwang delen van hun eigen bevolking naar bezette gebieden deporteerden om politieke en raciale redenen, of om die gebieden te koloniseren.

Bijzonder bitter

Zelfs al zou de Conventie van toepassing zijn, dan nog is de door het IGH gegeven uitleg veel te ruim. Bij vrijwillige vestiging door Joodse ”settlers” is van een gedwongen deportatie of verplaatsing immers geen sprake. Het is gelet op de geschiedenis wel bijzonder bitter dat men van Israël verlangt dat het de vestiging van Joden in de omstreden gebieden verbiedt, om zo deze gebieden ”Judenrein” te maken.

Kort samengevat: er is veel te zeggen voor de Amerikaanse positie dat de Joodse nederzettingen niet in strijd zijn met internationaal recht.

De auteur is als senior fellow verbonden aan ”thinc” (The Hague Initiative for International Co-operation), een denktank die zich met name richt op de internationaalrechtelijke positie van de staat Israël in relatie tot zijn omgeving en de internationale samenleving als geheel.