Invoering geenbezwaarsysteem niet schokkend

NPV-directeur dr. R. Seldenrijk stelde onlangs dat het geenbezwaarsysteem in het kader van de orgaandonatie fundamenteel en principieel ongewenst is. Dat is naar het oordeel van Wim van Dorp niet vol te houden. Volgens hem heeft het nieuwe systeem een meerwaarde ten opzichte van het huidige.

In het RD van vorige week donderdag werd een interview gepubliceerd met directeur van de Nederlandse Patiënten Vereniging dr. R. Seldenrijk over de invoering van het geenbezwaarsysteem in de Wet op de orgaandonatie. Kern van dat systeem is dat iedereen -als dat medisch mogelijk is- na het overlijden orgaandonor is, tenzij hij of zij heeft aangegeven dat niet te willen. Dat laatste wordt nauwkeurig in een register vastgelegd. Terecht wijst Seldenrijk op de vele factoren die een rol spelen bij het aanbieden van organen. Het toestemmingssysteem is maar één schakeltje in de hele ketting. Maar ik ben minder gelukkig met zijn uitspraken over de rol van de overheid en met name met de vergelijking met inbraken (”alsof je de wens dat er niet bij je mag worden ingebroken moet laten registreren”).

Al te gemakkelijk blijft zo’n uitspraak hangen als doorslaggevend argument. Maar een inbraak is toch werkelijk iets geheel anders. We vinden inbraken ongewenst. Daarom stellen we ze strafbaar. We hebben hier als christenen geen enkele moeite mee, omdat we op bijbelse gronden tot eenzelfde oordeel komen (het is fout en niet goed). Bovendien belijden we dat de overheid geroepen is het kwaad te bestrijden.

Schade
Ik zal niet beweren dat het vergelijken van orgaanuitname met een inbraak geheel nutteloos is. Het illustreert de verschillen en zegt iets over de aard van de problematiek. De arts die organen uitneemt uit het lichaam van de overledene, doet dat niet ter verrijking van zichzelf, zoals een dief dat wel doet.

De vraag naar schade speelt een rol. Lijdt de persoon of zijn familie schade door de uitname van de organen? Alleen al deze vraag geeft aan hoe lastig deze materie is. Kan een dode schade ondervinden? Kan een levende schade ondervinden door wat er na zijn dood met zijn lichaam gebeurt? Het kenmerk van een diefstal is dat de bestolene geen toestemming ervoor heeft gegeven. Dat is bij een legale orgaanuitname nu juist wel het geval. Ten slotte kun je stellen, wellicht met een aantal mitsen en maren, dat orgaantransplantatie iets goeds is, terwijl diefstal dat niet is. Ik denk overigens dat Seldenrijk en ik daarover niet van mening verschillen.

Wat mag de overheid wel en niet doen om het optreden van dat goede te bevorderen? Deze vraag heeft weinig meer van doen met medische ethiek of met een medisch principe, zoals Seldenrijk stelt. Het gaat dan veel meer om de rol van de overheid. Opmerkelijk is dat Seldenrijk juist bij dit onderwerp begrippen gebruikt als ”fundamenteel” en ”principieel”. Ik pleit in ieder geval voor voorzichtigheid op dit punt. Het gaat hier mijns inziens om een uiterst ingewikkelde zaak waarvoor je niet te snel dit soort aanduidingen moet gebruiken.

Dwang
Het is niet ongebruikelijk dat de overheid ons dwingt het goede te doen. Christenen hebben daartegen meestal ook geen bezwaren. Zo word ik verplicht om bij te dragen aan de internationale ontwikkelingshulp. In die zin is iedereen verplicht gelddonor. De meerderheid van de Nederlanders vindt dat goed (het is een democratisch genomen beslissing), maar er is individuele (belasting)dwang nodig om dit te realiseren. Seldenrijk zou dit wellicht een inbraak in mijn portemonnee noemen. Omdat daarvoor wettelijke goedkeuring bestaat, noemen we het niet zo. De vraag is van belang of hier nog steeds sprake is van het goede. Gaat het hier nog om naastenliefde (een vraag die ook bij orgaandonatie relevant is)? Uiteraard zijn er nuanceringen. Die verplichte liefdedienst is anders dan wanneer ik zelf bewust en vrijwillig een bedrag overmaak voor een goed doel. Het is ook anders wanneer ik testamentair bepaal dat een liefdadigheidsorganisatie (!) een legaat van mij zal ontvangen na mijn overlijden. Maar in alle gevallen -ook als dit mij wordt opgelegd- blijven er toch voldoende elementen in de gang van zaken over waardoor we kunnen blijven spreken in termen van het goede en de zorg voor de naaste enzovoort. Als een overheid iets verplicht oplegt, gaat het goede karakter van de daad niet verloren.

Grenzen
De overheid heeft ook invloed op de lichamelijke aspecten van ons menszijn. Drugs worden verboden, inentingen dringend aangeboden (”Het is goed voor de mens” en niet: ”Iedereen regelt het zelf maar”). Het is wettelijk gezien niet om het even wat er met het lichaam gebeurt na het overlijden. Begraven of verbranden wordt toegestaan, balseming (enkele uitzonderingen daargelaten) echter niet, evenmin als langdurige opbaring. Niet alle keuzen zijn dus mogelijk, ook niet als daarvoor religieuze argumenten worden aangevoerd. Mensen kunnen gedwongen worden behandeld: een inbreuk op de lichamelijke integriteit. Uiteraard zijn er grenzen aan die overheidsbemoeienis. Gedwongen behandeling is slechts mogelijk onder zeer strikte condities. Maar niettemin: de overheid kán besluiten tot gedwongen ingrijpen in het lichaam als een zaak van groter belang dat vraagt.

Een belangrijke vraag lijkt mij nu of met de invoering van een geenbezwaarsysteem deze grenzen nu ineens geheel anders worden getrokken. Zetten wij met de invoering van dit systeem een wissel om in die Joods-christelijke cultuur (waarnaar ook Seldenrijk in het interview verwijst)? Is de beslissing even principieel en fundamenteel afwijkend van de traditie als de legalisering van euthanasie dat was? Deze vragen vind ik des te meer relevant, omdat het moeilijk is om met een direct beroep op de Bijbel die grenzen trekken. We hebben een stukje geschiedenis en een vergelijking met soortgelijke situaties nodig om een antwoord te formuleren op deze vragen.

Niet schokkend
In deze context vind ik de invoering van een geenbezwaarsysteem nu niet zo’n schokkend gebeuren. Het betreft het vastleggen van een toestemmingsautomatisme voor een orgaanuitname, een onderdeel van een handelingsproces dat we in moreel opzicht als goed en verantwoord kwalificeren. Het nadeel voor de betrokken persoon en/of de familie is beperkt. De overheidsinvloed staat daarmee in een redelijke verhouding tot het te bereiken doel, namelijk het verkrijgen van meer transplantatieorganen. Voor wie tot een ander moreel oordeel komt, is een goed toegankelijke blokkeringsprocedure voorhanden. Dit element kan zelfs nog iets versterkt worden. Het is goed denkbaar dat ook de mogelijkheid wordt ingevoerd om een bezwaar te laten registreren tegen het nemen van een beslissing (”ik weiger om op commando van de overheid na te denken over een beslissing tot orgaandonatie”). Een dergelijke registratie moet dan uiteraard ook het gevolg hebben dat er geen orgaandonatie plaatsvindt, tenzij aanvullend wordt vastgelegd dat de nabestaanden een beslissing mogen meenemen. Maar uiteindelijk gaat het natuurlijk niet om deze groep. Het gaat om de grote groep mensen die om wat voor reden dan ook niet toekomt aan het nemen van een beslissing over deze materie. Dat zal grotendeels dezelfde groep zijn die niet zo veel moeite heeft met een grotere overheidsbemoeienis op dit punt. Voor alle anderen geeft het geenbezwaarsysteem genoeg mogelijkheden om medeburgers duidelijk te maken wat ze wel of niet willen.

Meerwaarde
In bovenstaande gedachtegang ga ik ervan uit dat het systeem een meerwaarde heeft ten opzichte van het huidige. Wordt er geen grotere beschikbaarheid van transplantatieorganen verwacht, dan moeten we er uiteraard niet aan beginnen. Maar dit is geen principieel, maar veelmeer een praktisch argument. Uiteraard zijn er nog veel andere aandachtspunten. Zo dient de wet te voorzien hoe te handelen bij mensen die beslissingsonbekwaam zijn. Ook dient goed nagedacht te worden over de vraag hoe gehandeld moet worden in de situatie dat nabestaanden de orgaanuitname bij de overledene weigeren, terwijl er wel een wettelijke toestemming is. Dat probleem neemt toe omdat er bij een geenbezwaarsysteem meer overledenen zijn waarbij de toestemming ’automatisch’ is verkregen, zonder bewuste keuze van de persoon. Zo zijn er meer zaken te noemen. Het ging me hier vooral om het argument dat het geenbezwaarsysteem fundamenteel en principieel ongewenst is. Dat is mijns inziens niet vol te houden.

De auteur is arts en werkzaam bij een zelfstandig bestuursorgaan in de gezondheidszorg