Invoering flexibele AOW heeft kans van slagen in kabinetsformatie

beeld ANP, Roos Koole
2

Veel partijen die deelnemen aan de kabinetsformatie willen sleutelen aan de AOW. Daarvoor zijn verschillende varianten. De AOW zou bijvoorbeeld verder geïndividualiseerd kunnen worden, betoogt prof. Raymond Gradus. Dat maakt de uitvoering eenvoudiger.

De AOW komt zonder enige twijfel op de formatietafel te liggen. Veel partijen willen sleutelen aan het staatspensioen. Sommige partijen willen de AOW-leeftijd terugbrengen tot 65 jaar. Het Centraal Planbureau heeft berekend dat dit een negatief houdbaarheidseffect van meer dan 12 miljard euro met zich meebrengt. Die variant lijkt dan ook weinig realistisch. Het met veel inspanning bewerkstelligde houdbaarheidsoverschot van het kabinet-Rutte II zou dan omslaan in een fors tekort. In feite zou dit betekenen dat jonge generaties hiervoor zouden gaan opdraaien.

De meeste partijen die aan de doorrekening van het CPB hebben deelgenomen, willen een vorm van flexibele AOW invoeren. Hierdoor kunnen mensen hun AOW zowel eerder als later laten ingaan. Mensen die eerder hun AOW opnemen, worden dan wel gekort. De effecten op de houdbaarheid van de Nederlandse overheidsfinanciën zijn beperkt, maar wel zien we op de korte termijn de overheidsuitgaven oplopen en de belastingopbrengsten minder worden.

Er wordt gesteld dat dit onvoldoende soelaas biedt voor mensen die een zwaar beroep hebben. Om daaraan tegemoet te komen, heeft de PvdA een voorstel uitgewerkt dat de mogelijkheid biedt om de AOW maximaal drie jaar eerder of later te laten ingaan. Bij eerdere opname is de korting voor de lage inkomens minder en voor de hogere inkomens meer dan volgens de officiële regels het geval zou zijn. Volgens het CPB kost deze aanpassing (in combinatie met een beperkte verhoging van de AOW-uitkering) op termijn 3 miljard euro.

Individualisering

Het is denkbaar dat op termijn de AOW wordt geïndividualiseerd door de extra AOW-uitkering voor alleenstaanden af te bouwen.

Op dit moment hebben alleenstaande ouderen een uitkering die 20 procent hoger is dan het wettelijk minimumloon. Uiteraard moet bij een dergelijke individualisering het inkomen van ouderen die alleen recht hebben op AOW of een klein aanvullend pensioen worden aangevuld tot het sociaal minimum.

Trouwens, deze regeling bestaat nu al voor ouderen met een onvolledige AOW-opbouw. Gemeenten vullen dat op basis van een middelentoets aan tot een niveau van het sociaal minimum. Ze zouden deze regeling, die beperkt wordt tot het individuele inkomen, dus uitstekend kunnen uitvoeren.

Het is de inschatting dat de omvang van een dergelijke regeling zeker op termijn beperkt kan zijn. De arbeidsparticipatie neemt immers nog steeds toe.

Eenvoudiger

Individualisering heeft veel voordelen. De uitvoering van de AOW wordt aanzienlijk eenvoudiger. Het voorkomt een onverkwikkelijke discussie over de controle op het aantal ‘tandenborstels’ in een huishouden.

Ook draagt deze oplossing bij aan het in de hand houden van de kosten. Zonder compensatie bedraagt de bijdrage van de individualisering aan een verbetering van de houdbaarheid circa 6 miljard euro. Uiteraard zal een gedeelte nodig zijn voor een gemeentelijke regeling.

Een dergelijk voorstel tot individualisering van de AOW moet wel stapsgewijs plaatsvinden. Dit geeft pensioenfondsen die nog een alleenstaandenfranchise hanteren de mogelijkheid deze aan te passen.

Overigens hanteren heel veel fondsen, en vooral de grootste, een franchiseopbouw die aanzienlijk lager is. In feite benaderen zij dus een geïndividualiseerde AOW.

In combinatie met een flexibilisering van de AOW en/of een tragere opbouw zou individualisering een aantrekkelijk vergezicht kunnen zijn dat rekening houdt met individuele wensen van toekomstige ouderen en ook met de betaalbaarheid van de AOW.

De auteur is hoogleraar bestuur en economie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.