In gifteconomie zorgen we voor elkaar en voor de aarde

„De fysiocraten noemden de landbouweconomie de échte bron van welvaart. Daar groeide immers iets uit het niets en werd pas echt geproduceerd.” beeld iStock

De biddag moet een symbool zijn van het besef dat we vooral leven van wat ons wordt gegeven. Laten we daarom onze afhankelijkheid belijden, stelt Roel Jongeneel voor.

Bij economie denken mensen al snel aan hard werken en geld verdienen. Er is altijd een relatie tussen inspanning en beloning. Bij de ruil op de markt staat prestatie steeds tegenover tegenprestatie (”quid pro quo”). Het draait om de productie, ofwel de toegevoegde waarde. Linksom of rechtsom is er in de economie sprake van prestatiebeloning.

Dit lijkt een harde economische wetmatigheid waar inmiddels links en rechts van overtuigd zijn. De gevleugelde slogan ”Wie niet werkt zal ook niet eten!” geeft daar uitdrukking aan. Sommige mensen denken dat dit een Bijbeltekst is, maar dat is niet waar. De Bijbel zegt: Wie niet werken wíl, zal niet eten (2 Thess. 3:10). Dat is iets heel anders.

De handen-uit-de-mouwenopvatting van de economie is vandaag populair. Ze wijst op een belangrijke economische relatie. Welvaart komt niet uit de lucht vallen, maar moet worden verdiend. Mensen die naar Nederland of een ander EU-land gaan en denken in een luilekkerland terecht te komen, vergissen zich.

Mijn probleem met deze opvatting is niet dat de redenering niet klopt. Mijn probleem is meer dat het maar een halve waarheid is, en dat we naast onze schoenen gaan lopen als we denken dat hiermee de kous af is en alles gezegd is wat er te zeggen valt.

Zegen op gewas

In de prestatieopvatting wordt over het hoofd gezien dat we ook in de moderne economie in belangrijke mate leven van wat ons wordt gegeven. Er is, als je hierover even verder nadenkt, helemaal niet zo veel reden om trots te zijn op wat je hebt gepresteerd of bereikt.

Ik werd hierbij bepaald toen ik recent het boek met de intrigerende titel ”Transforming Economics” van de Britse christeneconoom (en mijn geestverwant) Alan Storkey moest lezen. ”Bekering van de economie”, een boek met zo’n titel kom je niet vaak tegen. Volgens Storkey, en dat intrigeerde me, is 40 procent van de economie gebaseerd op gift in plaats van op ruil en prestatie. En waarschijnlijk is het getal dat hij noemt nog een onderschatting.

De gifteconomie heeft, denk ik, vier bronnen: de erfenis vanuit het verleden, de verleende krachten voor het heden, de zegen op het gewas en de kleine maar belangrijke relatie- of gezinseconomie.

Kostbare gave

We leven allereerst allemaal in belangrijke mate van de welvaart en de middelen die voorgaande generaties hebben opgebouwd. Zij hebben heel wat bereikt, maar ook de rijksten konden hun rijkdom niet meenemen toen ze geroepen werden om de grote reis te gaan maken. Ze moesten alles aan anderen achterlaten.

Maar ook als je even verder denkt, blijkt hoe belangrijk het gegevene is. Er zitten allerlei grondstoffen in de grond (olie, metalen). De olie wordt opgeboord en de grondstoffen worden via mijnbouw gewonnen. Maar kunnen we echt zeggen dat die delfstoffen een product van onze makelij zijn? Nee, dat natuurlijke kapitaal is gegeven, een gift die ons in de schoot is geworpen. We moeten er iets voor doen om de giften te exploiteren, maar dat is meer het aanpakken van een geschenk dan het zich beroepen op de eigen fabricage.

In de tweede plaats is dat wat we zo gemakkelijk een eigen prestatie noemen natuurlijk in grote mate te danken aan de krachten die we krijgen om ons werk te doen. Dat heeft met leven en gezondheid te maken, zaken die we niet voor het kiezen hebben, hoe graag we dat ook zouden willen. Wie gezond en krachtig mag zijn, is bevoorrecht. Hij of zijn kan wel dik doen, maar er hoeft maar even iets te haperen, en je weet weer dat gezondheid een kostbare gave is. Sporten of fitnessen is prima, goed voor je gezondheid, maar je kunt er nog steeds geen gezondheid mee kopen.

Economie van het gezin

De derde bron van de gifteconomie heeft met ons voedsel te maken. Van alles wat er in de economie wordt voortgebracht, is dit om twee redenen bijzonder.

Aan de ene kant is voedsel iets waar de boeren zich voor inspannen, maar tegelijkertijd is de vrucht op de arbeid sterk afhankelijk van het groeiseizoen, het weer en de zonneschijn. Voedsel is ook bijzonder omdat niemand zonder voedsel kan. Voedsel is vandaag de dag overvloedig aanwezig, op bijna elke hoek van de straat verkrijgbaar, en meestal spotgoedkoop. Hoewel economisch van beperkte waarde, is het tegelijkertijd van cruciale betekenis: ons leven is er letterlijk van afhankelijk.

De fysiocraten, een oude school van economische denkers, noemden de landbouweconomie de échte bron van welvaart. Daar groeide immers iets uit het niets en werd pas echt geproduceerd. In de rest van de economie gaat het volgens hen alleen maar om de bewerking van bestaande zaken.

De theorie van de fysiocraten is volgens economen inmiddels achterhaald: ook wat buiten de landbouw wordt geproduceerd, telt helemaal mee. Maar als de fysiocraten de vinger leggen bij het bijzondere van de voedseleconomie, dan hebben ze volgens mij nog steeds gelijk.

De ”kleine economie” van het gezin en de familierelatie zou je als vierde bron kunnen zien. Ouders geven hun kinderen alles wat ze nodig hebben, gratis en om niet. Denk ook aan kinderen die hun oud geworden ouders verzorgen of anderszins als mantelzorger optreden. Ook dat is een onderdeel van de veelzijdigheid van de gifteconomie, waarin niet de wederkerige ruil maar de onderlinge liefde centraal staat.

Bescheidenheid

Als ik deze vier bronnen denkbeeldig bij elkaar probeer op te tellen, dan komt de rekensom veel hoger uit (eerder op 70 of 80 procent) dan de 40 procent van Storkey. Wat hebben we eigenlijk dat we niet hebben ontvangen (1 Kor. 4:7)? Als wat we ontvangen hebben zo belangrijk is voor onze welvaart, dan is het beter om van een gifteconomie te spreken dan van een prestatie-economie. En dat moet dan volgens mij een drietal consequenties voor ons handelen en onze kijk op economie hebben:

1. Als onze welvaart voor een groot deel wordt bepaald door wat we hebben ontvangen, in plaats van door ons zwoegen en zweten, dan passen ons bescheidenheid en dankbaarheid. Wie vandaag in het welvarende Westen mag leven, krijgt veel wat hem zomaar wordt toegeworpen, zonder dat hij dat zelf gemaakt heeft.

De cynicus zegt: „Oké, dan heb je geluk gehad, terwijl een ander mogelijk pech heeft.” Dat vind ik te gemakkelijk en ook egoïstisch. Ik geloof niet zo in het lot en erken liever ronduit en ruiterlijk: „Dan ben je bevoorrecht.”

2. Ik denk dat, als je eerlijk bent en als de zaken zo liggen, je er ook niet aan ontkomt om de relatie tussen de ontvanger en de Gever meer in de economie te betrekken. Wie als christen erkent dat God ons deze giften toevertrouwd en in beheer geeft, doet er goed aan zich af te vragen wat de Gever behaagt en wat Zijn bedoeling is. Gave is immers vaak ook opgave?

Is wat we hebben echt van ons? Als je zo veel krijgt, betekent dat dan niet dat je ook bereid moet zijn om te geven en te delen? En als je leeft van een royale erfenis, mag je dat bezit er dan doorheen jassen en de aarde als een milieudelict achter je laten? Getuigt dat van respect voor de Schepper en van gepaste dankbaarheid jegens toekomstige generaties?

3. Voor christenen betekent dit, of je nu ondernemer, producent, zakenman, bankier, werknemer, zzp’er of mkb’er bent, dat ze hun economische activiteiten zien in het licht van het leven zoals we dat van God ontvangen. De beschrijving van de schepping is eigenlijk het oerverhaal van de gifteconomie. De Schepper-Gever roept mensen op tot verantwoord gebruik van Zijn gaven. Tot bouwen en bewaren, tot arbeiden en dienen. In zo’n economie geven we om mensen en zorgen we voor de aarde.

Dankbaar

Van de gifteconomie is het een kleine stap naar de biddag of dankdag. De biddag voor gewas en arbeid is veel meer dan een doordeweekse dag waarop we naar de kerk gaan. Als het goed is, is het een symbool van het besef dat we leven in een gifteconomie. Dat is reden om dankbaar te zijn en om je afhankelijkheid te belijden.

De auteur is werkzaam bij de OESO (Trade and Agriculture Directorate) in Parijs. Hij schrijft dit artikel op persoonlijke titel.