Gods beloften hebben levendmakende kracht

beeld RD, Henk Visscher
2

Twee mannen. Twee dienaren van het Woord. Levend in een verschillende eeuw, in een verschillend land, in een wat verschillende traditie. Toch hadden ze eenzelfde boodschap. Opvallend: ze waren beiden controversieel. Johannes Teellinck (1623-1674) was predikant te Utrecht, maar werd om politieke redenen door de stedelijke magistraat verbannen. De Schotse Ralph Erskine (1685-1753) werd in verband met een leerstrijd door een kerkelijke vergadering veroordeeld. Maar beiden preekten zuiver, ernstig en ruimhartig het Evangelie van Gods genade.

Waarom deze twee in één adem genoemd? Omdat ik in de afgelopen weken van elk van hen opnieuw onder de indruk ben geraakt. Van hun boodschap. Ze preekten, ieder voor zich, Wet en Evangelie, zonde en genade, geloof en bekering. Ze preekten Christus! Ze verkondigden de beloften van het Evangelie, onversneden en onbekrompen. Het boekje van die ene, van Teellinck, heet dan ook: ”De levendmakende kracht van Gods beloften”. Het betreft een breed uitgewerkte preek over Psalm 119:50b: „Uw toezegging heeft mij levend gemaakt”. Eerder dit jaar verscheen er een hertaling van. Ongeveer tegelijkertijd kwam er een fraai uitgegeven boek van Erskine op de Nederlandse markt: een bundeling van vier preken over Galaten 4:28, opnieuw uit het Engels vertaald. De aandachttrekkende titel: ”De zwangere belofte en haar kinderen”. Ook dat boek legt de nadruk op de kracht en de waarde van Gods beloften.

Teellinck reikt de beloften van de Heere, zoals we ze lezen in Zijn Woord, vooral aan als een heilzaam en noodzakelijk medicijn. Aan wie? Allereerst aan Gods kinderen in hun kwalen van geestelijke dorheid en dodigheid. Kennelijk kwam hij die ziekte regelmatig tegen of moest hij ze ook in zijn eigen leven constateren. Als íéts nodig is, waaraan met grote ijver in Gods kerk gewerkt moet worden, zo zegt hij aan het begin van zijn preek, dan is het dat de ingezonken zielen door de werking van Gods Geest onder de bediening van Zijn Woord levend gemaakt worden. Wat moet er met die gepredikte beloften gebeuren? Ze moeten geloofd worden! Ze mogen aangegrepen en toegeëigend worden. Met het oog daarop worden ze in de verkondiging van het Woord uitgereikt.

Maar is dan dat woord van Gods belofte genoeg? Kan een mens het daarmee wagen? Jazeker, zo belijdt de psalmist het toch: „Uw toezegging heeft mij levend gemaakt!” Kan dan een woord van Gods belofte zijn hart vrolijk en levend maken, nog vóórdat hij de vervulling van die belofte beleeft? Teellincks resolute antwoord: „Ja, echt waar! Het Woord van God is hem genoeg!”

Wie of wat is dan de inhoud van Gods belofte? Dat is Christus Zelf. „Hij die in een rechte weg door het ware geloof Gods beloften op zichzelf toepast, eigent tegelijkertijd ook Christus aan zijn ziel toe. Zo trekt hij door het ware geloof de kracht van het geestelijk leven uit Christus. (…) Dan kan het niet anders dan dat de ziel, hoe doods en dor ze ook is, geestelijk levend wordt, want Christus is ons Leven!”

Tegen het slot van zijn boekje breidt Teellinck de ‘doelgroep’ van Gods beloften verrassend uit. In Gods beloften is alles begrepen wat een verloren mens behoeft, voor tijd en voor eeuwigheid. Aan die beloften gaat dan ook geen enkele gestalte vooraf dan alleen onze vleselijke wanstaltigheid. Aan ieder, wie dan ook, mogen die beloften Gods worden verkondigd. En hij doet het ook!

Zo lezen we het ook bij Erskine. Iets uit het slot van zijn boek. „Christus wordt ons door de belofte naderbij gebracht, zoals water uit een bron of een reservoir door buizen en leidingen naar een stad geleid wordt. (…) Oude zondaar, jonge zondaar, man, vrouw of kind, en u allen die in staat bent om te begrijpen wat ik zeg, welke vorm van genade u ook nodig hebt, de waterslang van de belofte, om die genade van Christus tot in uw ziel te leiden, komt in uw mond. Het Koninkrijk van God is u nabij gebracht. Neem het toch aan en zeg: Mij geschiede naar Uw belofte!”

Reageren? welbeschouwd@refdag.nl