Geroepen calvinist te wezen

Essays Spruyt
Uitzicht vanaf de Oude Kerk, Amsterdam. beeld Sjaak Verboom
2

De metafoor van de toren van John Duncan kan ons leren dat het calvinisme niet zozeer een vernauwing van de katholieke traditie is, maar de bovenste verdieping ervan. Van waaraf het uitzicht dus het ruimst is.

In de Kerk zijn er geen afstanden en is er ook geen tijd. Alle gelovigen van alle tijden en plaatsen vormen één gemeenschap. Deze gemeenschap is niet institutioneel zichtbaar, maar vormt een Kerk achter de kerken. De gemeenschap van deze heiligen strekt zich niet alleen uit tot de levenden maar ook tot hen die nog van alle zijden zullen aankomen en tot de reeds overledenen. „Soms is er meer contact met de triomferende Kerk hierboven dan met de strijdende beneden. Een gemeenschap met hen die wij gekend hebben op aarde en met hen die wij niet gekend hebben. Het is een directe nabijheid die de eenzaamheid vervult en een onnaspeurlijke zegen nalaat”, schreef ds. Doornenbal.

Wie dit beseft, kan zich niet opsluiten in een eigen kring, hoe groot zijn sympathie en loyaliteit met die kring ook is. Want wie denkt bij dit perspectief niet aan de woorden die de gereformeerde theoloog Herman Bavinck aan de katholiciteit van de kerk heeft gewijd? „De katholiciteit der kerk is van aangrijpende schoonheid. Wie in de enge kring van een kerkje of conventikel zich opsluit, kent haar niet en heeft haar kracht en vertroosting nooit in zijn leven ervaren. Hij berooft zichzelf van geestelijke schatten, die door geen meditatie of devotie kunnen worden vergoed, en verarmt zijn ziel. Maar wie uitziende naar buiten over die ontelbare schare heen, dien uit alle volk en land en tijd door het bloed van de Zoon is gekocht, wie gevoelt wat krachtige versterking van het geloof, wat wondere vertroosting in het lijden het is zich één te weten met heel die strijdende kerk die van het begin tot het einde der wereld uit het ganse menselijk geslacht wordt vergaderd, die kan niet eng zijn van hart, die blijft in zijn ingewanden niet nauw.”

In het verlengde hiervan heeft de excentrieke, briljante en kinderlijk gelovige theoloog ‘rabbi’ John Duncan (1796-1870) eens tegen een van zijn studenten gezegd dat hij in de eerste plaats een christen was, vervolgens een katholiek, dan een calvinist, ten vierde een aanhanger van de kinderdoop, en ten vijfde een presbyteriaan. „Ik kan deze volgorde niet omdraaien.”

Met deze woorden sprak Duncan dus uit dat zijn diepste identiteit bestond in zijn christen-zijn, dat wil zeggen: in zijn persoonlijke verbondenheid met Christus. Ook in leden van de oosters-orthodoxe kerken herkende hij „iets van Christus”. Katholiek wil zeggen dat hij zich een erfgenaam wist van de christelijke traditie zoals die zich in Europa heeft ontwikkeld, met de brief aan Diognetus tot en met Augustinus uit de vroege Kerk, met Benedictus, Anselmus, Franciscus, Bernardus en Thomas a Kempis uit de middeleeuwse kerk.

Hij stelde zich vervolgens in het spoor van de Reformatie, omdat daarmee essentiële aspecten van de Bijbelse leer zijn herontdekt. Die herontdekking impliceerde ook een bepaalde verbondsleer en vandaar dat Duncan zich uitspreekt voor de kinderdoop. Niet dat een voorstander van de volwassendoop geen christen zou zijn. Zie Bunyan, Philpot, Spurgeon, en lees Adolph Saphir (een Joodse bekeerling van Duncan), die schreef dat de doop een open kwestie kon zijn en geen verdeeldheid in de kerk mocht brengen. Maar voor Duncan leidde een juiste visie op het verbond tot een keuze voor de kinderdoop. En wat ten slotte de regering van de kerk betrof, koos hij voor de presbyteriaanse vorm.

Maar, zo zouden we kunnen vragen, leidt de volgorde van prioriteiten zoals Duncan die aanbracht, uiteindelijk niet tot een sterke relativering van het calvinisme, van de zestiende-eeuwse Reformatie, van de kinderdoop en de gereformeerde kerkstructuur? Voor mensen die met de prioriteiten van Duncan sympathiseren, is dit, dacht ik, vaak het geval. Op zoek naar een bovenpersoonlijk, historisch geloof, naar de veelvormigheid en veelkleurigheid van de katholieke traditie, hebben zij door oude teksten, kloostertuinen en middeleeuwse kathedralen gezworven, en vooral veel C. S. Lewis gelezen. Wat kan de frisse stroom, het weidse perspectief en de kleurenrijkdom van deze traditie nadrukkelijk contrasteren met de slootjes, beperktheden, sociale codes en vele tinten grijs van de eigen groep. Ook ik mocht graag de woorden van Lewis citeren dat deze ruimte ons verlost van ons provinciale zelf, onze zelfgenoegzaamheid, en ons boven onszelf kan uittillen.

Zoiets moet ook de student gedacht hebben tegen wie Duncan deze woorden uitsprak. Die student zei dat de vijf overtuigingen die Duncan noemde, dus als het ware cirkels binnen elkaar waren, de eerste de ruimste en de beste, de laatste de beperktste. Maar Duncan antwoordde hem: „Ik zie ze liever als verdiepingen die boven elkaar oprijzen, alhoewel ze bij het rijzen steeds nauwer worden. De eerste is de breedste, en is het fundament dat Christus heeft gelegd. Maar wij moeten op dat fundament bouwen, en hoe hoger we in de toren komen des te ruimer wordt ons uitzicht.”

Deze woorden geven te denken! Duncan was niet alleen in de laatste plaats calvinist, maar uiteindelijk ook in de eerste plaats. Zo zie ik in mijn omgeving ook mensen die in het verleden van de kerk hebben rondgezworven, maar nu steeds meer hun plaats en troost in de reformatorische traditie hervinden.

Ik denk dat daar twee redenen voor zijn. Nergens valt de genade zo vrij als in de gereformeerde traditie: het heil is en blijft altijd pure genade, die bij niets in ons (werken, verlangens of bevindelijke hoedanigheden) aansluit maar iets nieuws schept. En er staat, in de tweede plaats, iets op het spel: de verloochening of afzwakking van het reformatorisch eigene blijkt in de praktijk al te vaak een route naar onbelijnde vaagheid, hyperevangelisme en vergaande concessies aan wat overheid en markt van ons willen.

Wij worden dus, zo zouden we kunnen concluderen, geroepen calvinist te wezen, maar dan wel op een gezonde, katholieke manier. En laten we niet vergeten dat ds. Doornenbal zijn gedachten over de gemeenschap met overleden gelovigen alleen heeft kunnen delen met de oud gereformeerde oefenaars Rustige en Zwoferink.