Geestelijke lessen uit de orkaan Harvey

„We zijn de slachtoffers van Harvey veel verschuldigd. Wat hun is overkomen, is een waarschuwing aan ons allemaal. Als we ons niet bekeren, zullen we „insgelijks vergaan.”” beeld AFP, Mark Ralston

Natuurrampen zoals de orkaan Harvey zijn roepstemmen van God om Hem serieus te nemen en ons te bekeren, schrijft dr. Erwin W. Lutzer.

Had God iets te maken met de monsterachtige storm die in Texas een spoor van verwoesting trok? Sommigen zullen zeggen dat God niet meer dan een geïnteresseerde toeschouwer was. Onze gevallen wereld wordt immers beheerst door de natuurwetten. Intuïtief beseffen mensen toch dat God Zijn hand had in deze orkaan. Ik weet zeker dat zelfs degenen die jaren niet gebeden hebben, in hun angst tot God hebben geroepen om Hem te vragen hun situatie in de hand te houden.

Het boek Job is hier leerzaam. God gaf de satan toestemming om Jobs kinderen door een storm te doden. De satan kon niets doen zonder Gods uitdrukkelijke toestemming. Zeker, de wereld is gevallen. Daarom zijn er aardbevingen, orkanen en tsunami’s. Maar Job wist dat zijn rampspoed te herleiden was tot God. „De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd” (Job 1:21).

Wie stuurde de zondvloed in de dagen van Noach? Wie stuurde de plagen die Egypte teisterden? Wie stuurde de storm die heidense zeelui ertoe bracht om Jona overboord te gooien? In deze en tal van andere gedeelten herleidt de Bijbel de uiteindelijke oorzaak van deze rampen tot God. De natuurkrachten staan onder Zijn bevel.

God heeft Zijn eigen redenen voor deze gebeurtenissen, die wij niet kennen. Maar uit de Schrift kunnen we opmaken wat onze reactie moet zijn en welke lessen we hieruit moeten leren.

1. We treuren, we oordelen niet

Jeremia treurde in zijn eentje. Hij was verbijsterd dat anderen zo ongevoelig waren dat ze met droge ogen door het verwoeste Jeruzalem konden lopen. „Gaat het ulieden niet aan, gij allen, die over weg gaat? Schouwt het aan en ziet, of er een smart zij gelijk mijn smart, die mij aangedaan is, waarmede de Heere mij bedroefd heeft ten dage der hittigheid Zijns toorns” (Klgl. 1:12). De verwoesting van Jeruzalem trof niet alleen de goddelozen; de rechtvaardigen hadden er evenzeer onder te lijden. Jeremia treurde vanwege beiden.

Toen Jezus sprak over een ramp in Jeruzalem, vroeg Hij: „Of die achttien, op welke de toren in Siloam viel, en doodde ze; meent gij, dat deze schuldenaars zijn geweest, boven alle mensen, die in Jeruzalem wonen? Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen insgelijks vergaan” (Luk. 13:4-5). Het is goed mogelijk dat deze toren een aquaduct was dat in opdracht van de Romeinen door Joodse werknemers werd gebouwd. Natuurlijk waren Joodse zeloten erop tegen dat Joodse arbeiders hielpen bij een project dat hun verachte onderdrukkers ten goede kwam. We horen hen het zeggen: „Deze mensen verdienden het te sterven… Gods oordeel heeft hen getroffen!”

Jezus benadrukt dat degenen die omkwamen toen de toren instortte, geen grotere zondaars waren dan anderen in Jeruzalem. Het was verkeerd en eigengerechtigd om een oordeel uit te spreken over degenen die zo onverwacht om het leven waren gekomen. Vanuit Gods perspectief zijn rampen minutieus gepland, maar vanuit ons gezichtspunt gebeuren ze toevallig en lukraak.

Laten we onze tranen vertalen in daden, helpen met onze gebeden, met donaties aan hulporganisaties en –zo mogelijk– meedoen met anderen die degenen in nood metterdaad terzijde staan.

2. Waarden worden verhelderd

Toen die toren in Siloam omviel, betreurde niemand het verlies van de bakstenen, maar achttien gezinnen treurden om het verlies van en man, vader of broer. Verwoestende orkanen en gebroken dijken hebben het in zich om onze vingers los te wrikken van de dingen waaraan we zo gehecht zijn. De ene dag heb je alles; de andere dag heb je niets.

„Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel?” (Matth. 16:26). Rampen helpen ons om het onbeduidende te scheiden van het gewichtige, het tijdelijke van het eeuwige. Wat het belangrijkste is, wordt plotseling het belangrijkste.

3. Het leven is onzeker

Natuurrampen bevestigen de woorden van Jakobus. „Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt” (Jak. 4:14). De mensen die bij een natuurramp omkomen, zeggen die morgen bij het wakker worden niet tegen zichzelf: „Dit zou mijn laatste dag kunnen zijn.” Ongelukken en overstromingen gebeuren zonder waarschuwing.

Als je de overlijdensberichten leest van degenen die door rampen zijn overvallen, moet je je eigen naam invullen. Iedereen kent wel iemand die onverwacht is omgekomen, misschien bij een auto-ongeluk, op het werk, door verdrinking of anders wel door een hartaanval. Als we treuren met de gezinnen, moeten we onszelf eraan herinneren dat onze eigen dood om het hoekje kan staan. We worden geboren met een houdbaarheidsdatum.

Tragedies beroven ons van de overmoedigheid dat we onze toekomst in eigen hand hebben. C. S. Lewis laat in een van zijn bekendste boeken (”Brieven uit de hel”) een duivel zeggen dat „tevreden wereldsgezindheid” in vredestijd een van de beste demonische wapens is. Maar als er rampen komen, wordt dit wapen waardeloos. „In oorlogstijd kan zelfs een mens niet meer geloven dat hij altijd zal blijven leven.”

Dit is een van de redenen waarom we nooit al Gods bedoelingen met natuurrampen zullen weten. We kennen eenvoudigweg de duizenden of wellicht miljoenen geestelijk zorgeloze mensen die werden gedwongen om in tijden van onheil God serieus te nemen. Zelfs degenen die deze rampspoed op een veilige afstand gadeslaan, horen God zeggen: „Bereid je voor op je eigen dood. Wellicht komt die spoedig.”

4. Er komen meer oordelen

Natuurrampen herinneren ons eraan dat er een streng oordeel zal komen. De wederkomst van Jezus zal gepaard gaan met ten minste drie of vier natuurrampen – het hangt ervan af hoe je ze rangschikt: „En terstond na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden. En alsdan zal in de hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen” (Matth. 24:29-30).

Natuurrampen zullen uiteindelijk een deel zijn van Gods soevereine oordeel. Hier is zo’n toekomstige natuurramp: „En ik zag, toen Het het zesde zegel geopend had, en zie, er werd een grote aardbeving; en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed. En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgenboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij van een grote wind geschud wordt. En de hemel is weggeweken, als een boek dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen. En de koningen der aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen verborgen zichzelf in de spelonken en in de steenrotsen der bergen, en zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen Die op den troon zit, en van den toorn van het Lam; want de grote dag van Zijn toorn is gekomen, en wie kan bestaan?” (Openb. 6:12-17).

We zijn de slachtoffers van Harvey veel verschuldigd. Wat hun is overkomen, is een waarschuwing aan ons allemaal. Als we ons niet bekeren, zullen we „insgelijks vergaan.”

5. We moeten vaste grond vinden

Jezus vergelijkt het toekomstige oordeel met een natuurramp. Hij vertelt het verhaal van twee mensen. De één bouwde zijn huis op het zand, de ander op de rots. Op een zonnige middag zagen ze er precies hetzelfde uit. Maar een natuurramp legde het verschil bloot. „En er is slagregen neergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond” (Matth. 7:25). Het andere huis kon de storm niet doorstaan, „en zijn val was groot” (Matth. 7:27).

Toen in 1912 de Titanic verging, vonden 1522 mensen hun graf in de golven. De reizigers konden aan boord eerste-, tweede-, of derdeklas reizen. Maar nadat het schip was gezonken, waren er maar twee categorieën: de geredden en de verdronkenen. Zo zullen er op de oordeelsdag maar twee groepen zijn: de geredden en de verlorenen. Er is alleen hemel of hel. God roept vanuit de hemel: „Indien gij u niet bekeert, zult gij insgelijks vergaan.”

De auteur is emeritus predikant van Moody Church in Chicago. Dit artikel is eerder verschenen op de website van Moody Church Media.