Een universele moraal

„Bij Rome streeft in principe ieder mens naar het goede. In ieder geval geldt dat voor ‘mensen van goeden wille’.” Foto: de Sint-Pietersbasiliek in Vaticaanstad. beeld iStock

De Protestantse Theologische Universiteit (PThU) is recent een onderzoeksproject gestart over de vraag of er een universele moraal bestaat en wat die zou inhouden. Terecht vindt men het van grote maatschappelijke betekenis dat daarover diepgaand wordt nagedacht. Mensen moeten immers met elkaar samenleven.

Een anonieme financier heeft 1,5 miljoen euro ter beschikking gesteld voor het onderzoek, dat de naam kreeg van Moral Compass Project. Half september werden de plannen door de onderzoekers ook in het RD toegelicht.

Zelfs al zou ieder mens het goede willen doen, toch ontstaan er gemakkelijk allerlei botsingen wanneer hun opvattingen over het goede in hoge mate uiteenlopen. Vandaar dat de onderzoekers een nieuwe zoektocht naar het goede noodzakelijk achten. In hoeverre kunnen personen met uiteenlopende achtergronden het eens worden over de invulling daarvan?

Nu zou men zich kunnen voorstellen dat voor mensen uit de kring van de Protestantse Theologische Universiteit bij een zoektocht naar een moreel kompas voor mens en samenleving de Bijbel niet alleen het uitgangspunt vormt, maar ook het laatste woord heeft. In de gekozen opzet zoekt men echter vooral het gesprek met anderen, met name ook met niet-gelovigen. Met mensen die zich vooral op redelijke argumenten beroepen en met hen die zich vooral door hun gevoel laten leiden. Katholieke traditie

Die benadering sluit aan bij de rooms-katholieke traditie, die op dit punt veel minder antithetisch is dan de orthodox-protestantse. In rooms-katholieke kring beroept men zich vanouds op het natuurrecht, dat niet alleen voor ieder mens zou gelden maar in hoofdlijnen ook voor ieder mens kenbaar zou zijn.

Bij Rome streeft in principe ieder mens naar het goede. In ieder geval geldt dat voor ‘mensen van goeden wille’. In de Canisiusvertaling verkondigen de engelen in Lukas 2 dan ook „vrede op aarde onder de mensen van goede wil.” Geloof, gebod, rede en deugd sluiten in deze benadering bij elkaar aan. Weliswaar weet men ook dat de zonde in de wereld gekomen is. Daarom heeft de natuur de vervolmaking door de genade nodig en beslist de Rooms-Katholieke Kerk uiteindelijk over de uitleg van de natuurwet.

Zo kon Romme, de leider van de Katholieke Volkspartij, in het midden van de vorige eeuw schrijven dat de katholieke politiek door haar innerlijke redelijkheid aanvaardbaar was voor alle mensen. Vandaar ook de voorkeur van de KVP voor de bredebasispolitiek, al moet daarbij wel worden opgemerkt dat een kabinet op brede basis (met liberalen en socialisten) ook gunstig was om de niet geringe spanningen binnen de KVP in te perken.

Geneigd tot alle kwaad

In de gereformeerde traditie wordt veel terughoudender, om niet te zeggen negatiever, over deze zaken gesproken. Hier gaat het niet om natuur en genade die elkaar aanvullen, maar over zonde en genade die tegenover elkaar staan.

Bekend is de uitdrukking uit de Heidelbergse Catechismus (vraag 8) dat de gevallen mens onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 14) wordt gesproken over kleine overblijfselen van zijn oorspronkelijke heerlijkheid, die de mens na de zondeval gelaten zijn.

Ook in de Dordtse Leerregels komt dit punt aan de orde wanneer (hoofdstuk III/IV par. 4) beklemtoond wordt dat in de mens na de zondeval nog enig licht der natuur is overgebleven. Daardoor heeft hij enige kennis van God behouden en van het onderscheid tussen hetgeen betamelijk en onbetamelijk is. De gevallen mens betoont ook nog enige betrachting tot de deugd en de uiterlijke tucht. Maar het woord enige wordt hier niet voor niets herhaaldelijk gebruikt. Men heeft er niet veel verwachting van. Ook in natuurlijke en burgerlijke zaken, zo lezen we, wordt het nog geschonken licht immers niet recht gebruikt, maar in ongerechtigheid ten onder gehouden.

Calvijn formuleert het wat positiever als hij zegt dat alle mensen een beeld hebben van „een fatsoenlijke en ordelijke samenleving.” Geen mens is „verstoken van het licht van de rede.” Dat blijkt ook wel uit het waardevolle in de werken van heidense schrijvers. Ten opzichte van zijn oorspronkelijke staat is de geest van de mens wel zeer in verval geraakt, „maar toch ook nu nog met uitmuntende gaven van God bekleed en versierd” (”Institutie” boek 2 hoofdstuk 2).

Gods algemene genade werkt weerhoudend, zodat een mens het kwade wat er in zijn hart omgaat nog niet uitleeft. Daar mogen we dankbaar voor zijn. Dat vormt immers de basis van onze menselijke samenleving.

Kuyper ging in zijn beschouwingen over de gemene gratie wel erg ver. Dat leidde tot een cultuuroptimisme, zoals er bij hem ook sprake was van een geloofsoptimisme (veronderstelde wedergeboorte). Maar ondanks dat wist ook hij van de antithese tussen hen die zich baseren op Gods openbaring en hen die daar niet van willen weten.

Seculiere cultuur

In de huidige situatie hebben we te maken met een maatschappij en een cultuur die zich steeds verder verwijderen van de christelijke traditie. Nu moeten we ons dat christelijke verleden niet al te mooi voorstellen. Niet voor niets hadden gereformeerde predikanten in de 17e eeuw, en zeker ook in later tijd, scherpe kritiek op de toenmalige zeden en praktijken.

Maar duidelijk is wel dat de secularisatie de afstand aanzienlijk heeft vergroot. Dat geldt zeker ook voor die terreinen waar het onderzoeksproject van de PThU zich op richt: de vrijheid van meningsuiting, de notie van de familie en het levenseinde.

Zo’n zestig jaar geleden, twee generaties terug dus, werd euthanasie in de westerse samenleving breed afgewezen. Een partij als de PvdA sprak in haar beginselprogram positief over het traditionele huwelijk en gezin.

In hoeverre is er op deze gebieden nog iets overgebleven van gedeelde waarden en gemeenschappelijke uitgangspunten? Het is goed dat men zich daarop bezint. Het gaat hier immers om heel wezenlijke zaken. Wezenlijk ook voor het menselijk samenleven.

Duidelijk kan zijn dat die gemeenschappelijke basis steeds smaller wordt. Allerlei opvattingen die tegenwoordig toonaangevend zijn als het gaat om huwelijk en gezin, leven en dood, botsen frontaal met de Bijbelse waarden en normen.

Verwereldlijkt christendom

Terwijl een verwereldlijkt christendom een heel eind mee kan gaan met allerlei moderne ontwikkelingen, zal dat anders zijn voor wie naar het Woord van God tracht te leven. Die hoeft het gesprek met vertegenwoordigers van het moderne denken en de hedendaagse gevoelens niet uit de weg te gaan. Maar al vrij gauw zal men daarbij op een punt komen waar geconstateerd moet worden dat het niet mogelijk is om elkaar te vinden. Men hanteert immers geheel verschillende uitgangspunten.

Het is daarom veelbetekenend tot welke conclusies het Moral Compass Project zal leiden. Vindt men veel aansluiting bij de seculiere cultuur of niet? Dat maakt dan ook duidelijk waar men zelf staat.

Het was niet toevallig dat de naoorlogse doorbraak, waaruit de PvdA ontstond, vooral weerklank vond in de hervormde middenorthodoxie bij mensen als Buskes en Miskotte en niet in de gereformeerde gezindte. Daar gold dat de afstand tot de onkerkelijke en vrijzinnige socialisten veel te groot was.

Evenzo is het typerend voor het huidige CDA dat steeds meer vooraanstaande posities worden ingenomen door mensen die zelf verklaren geen christen te zijn. Ben Knapen, de beoogde leider van de Senaatsfractie, is er daar een van. Wanneer ook seculiere mensen een christelijke partij kunnen vertegenwoordigen, dan ligt de conclusie voor de hand dat die christelijke identiteit niet veel meer voorstelt.