Dr. Ouweneel hanteert vervangingsleer van eigen soort

Veel gereformeerde theologen hebben grote verwachtingen voor het volk Israël. Foto: orthodoxe Joden bidden bij de Klaagmuur in Jeruzalem. beeld RD, Henk Visscher

Volgens dr. Ouweneel komt tussen Pinksteren en wederkomst de christelijke kerk tijdelijk in de plaats van Israël. Dit geldt als een soort vervangingsleer. Een consequent gereformeerd theoloog ziet echter de doorgaande lijn in Gods openbaring.

Wie consequent gereformeerd is, geldt volgens dr. W. J. Ouweneel per definitie als een vervangingstheoloog. Hij verklaart wat dat concreet betekent: De kerk is van mening dat zij in de plaats van het volk Israël is gekomen. Zij denkt daarom dat de zegeningen van God voor haar zijn, terwijl voor Israël alleen de vervloekingen zijn overgebleven.

In deze visie worden de beloften voor Israël vergeestelijkt. Daardoor heeft de kerk de verwachting van het aardse koninkrijk vervangen door de verwachting van de hemel. In deze vervangingsleer liggen volgens Ouweneel antisemitische wortels verborgen (RD 19-2).

Ouweneel geeft toe dat ook hij de Schrift leest vanuit een bepaald denkpatroon. Maar hij voegt daaraan veelzeggend toe: „Alleen ben ik mij daarvan bewust.” Maar levert dat per definitie een juist lezen van Gods Woord op? En begrijpt hij de gereformeerde leer goed? Nee, zegt dr. Steven Paas, daar maakt hij een karikatuur van. Paas denkt daarbij primair aan zijn eigen visie op Israël. Daarin is in Christus de belofte van zegen aan Abraham voor het volk Israël en de andere volken vervuld (RD 28-2).

Centrum van de wereld

Met de hoofdlijn van Paas ben ik het eens. Ouweneel heeft wel gelijk dat vervangingsdenken antisemitisme in de hand werkt. Maar hij weet heel goed dat veel gereformeerden theologen, net als hij, grote verwachtingen hebben voor het volk Israël: een nationaal herstel tijdens het komende vrederijk, waarin Israël het centrum van de wereld zal zijn en zijn God zal dienen onder de heerschappij van de Koning uit het huis van David. Wie het op dit heikele punt niet met Ouweneel eens is, wordt door hem een vervangingstheoloog genoemd.

Op Ouweneels zojuist genoemde typering van de gereformeerde leer ga ik nu nader in.

Gods woorden van zegen en vloek gelden niet alleen voor de Joden, maar ook voor de niet-Joden. Weliswaar heeft God Zijn woorden voor altijd aan het volk Israël toevertrouwd (Romeinen 3:2), maar hét Woord van God is Christus, de Zoon van Abraham. Vertrouwen op de HEERE en Zijn genade is geloven dat Jezus de beloofde Messias is. Zo delen Israël én de andere volken in Gods zegen. Allen die dit niet willen geloven, hebben echter te maken met de keerzijde, Gods toorn.

Nieuwe schepping

In Christus’ werk is Zijn opstanding het begin van de nieuwe schepping. Door Christus zijn allen die in Hem geloven ook een nieuwe schepping. Bovendien zal Zijn heilswerk uitlopen op de nieuwe schepping, Gods nieuwe wereld. Dat is de vervulling van de profetie uit Jesaja 65.

Of toch niet, gelet op de letter van de profetie? Moet er niet een paradijselijke periode komen, waarbij Israël en Jeruzalem het centrum van het wereldgebeuren zullen zijn? Als dit echt de vervulling van deze belofte is, heeft die wel een ernstige schaduwkant. De zonde en de dood zijn dan namelijk nog niet definitief verdwenen.

De ware vervulling wordt ons getoond in Openbaring 21-22. Het zal een letterlijke vervulling van een hoger niveau zijn. Als Gods nieuwe wereld komt, zullen zonde en ziekte voor altijd verdwenen zijn. Dan zal God voor altijd bij Zijn volk wonen. Dit is tevens een geestelijke vervulling.

In Gods beloften is trouwens altijd het geestelijke de belangrijkste factor. Niet als een tegenstelling tot het letterlijke, want er is een eenheid tussen die twee. De verwachting van de gelovigen moet daarom gericht zijn op de komst van Gods nieuwe wereld.

Christus alleen

In de gereformeerde theologie is geen plaats voor vervangingsdenken. Opmerkelijk genoeg is dat bij Ouweneel anders. Weliswaar is het zijn overtuiging dat God Israël eeuwig trouw blijft. Maar volgens hem onderbrak God Zijn weg met het volk Israël door met Pinksteren een nieuw project te beginnen: de christelijke gemeente. Zo kon de gemeente van Christus (vooral) uit de andere volken ontstaan. Die gemeente zal op aarde blijven bestaan tot de dag dat zij door Jezus zal worden opgenomen in Zijn heerlijkheid. Dan pakt God de draad met Zijn volk weer op. Er breekt dan voor Israël een nieuwe periode aan, waarin alle beloften van God aan Zijn volk volkomen in vervulling zullen gaan.

Kort gezegd: Volgens Ouweneel komt tussen Pinksteren en Jezus’ wederkomst, het moment dat Hij Zijn gemeente opneemt, die gemeente tijdelijk in de plaats van Israël. Dit is te typeren als een vervangingsleer van eigen soort, die voortvloeit uit de visie van Ouweneel op de Schriften. Daardoor is volgens mij Ouweneel meer een vervangingstheoloog dan een consequent gereformeerd theoloog. De laatste heeft namelijk oog voor de doorgaande lijn in Gods openbaring, met in het centrum Christus alleen.

De auteur is emeritus predikant in de Christelijke Gereformeerde Kerken.