Doe recht aan tegenstanders vrouw in het ambt

Een beroep op de vele gaven van vrouwen en hun inzet voor het Evangelie mag niet gebruikt worden als een breekijzer om het regeerambt voor vrouwen te openen, stelt Dick Slump. Gaven worden ingezet vanuit de roeping, niet andersom.

Verkerk en Glas stellen dat tegenstanders van de vrouw in het ambt een onbevangen exegetische discussie verhinderen. Ze weten ook hoe dat komt: enerzijds zitten de tegenstanders gevangen in de oude tijdgeest, gekenmerkt door onderdrukking en achterstelling van vrouwen. En het is, aldus Verkerk en Glas, juist deze tijdgeest die grote invloed heeft gehad op de exegese. Anderzijds zijn de tegenstanders beducht voor de postmoderne tijdgeest van ”ik bepaal zelf wel wat goed is”.

Ik heb grote moeite met deze benadering en herken mij daarin niet. Als ik gevangen zou zitten in een dergelijke ”oude tijdgeest”, zou ik ook met aanzienlijk minder genoegen samenwerken met veel vrouwelijke collega’s die hetzelfde werk doen als ik.

Inderdaad voeg ik mij nog steeds in de overtuiging van het overgrote deel van de christelijke kerk in heden en verleden dat het regeerambt van predikant en ouderling alleen openstaat voor mannen. Ik ga niet mee met de voorgestelde koerswijziging, omdat ik er niet van overtuigd ben dat die zich verdraagt met de Schrift.

Ook het rapport ”Samen dienen” en het boek ”Zonen & dochters profeteren” hebben mij niet tot die overtuiging gebracht. Het verbaast me dat Verkerk en Glas schrijven dat er geen gedegen studies zijn verschenen die de conclusies ervan weerleggen. Ik denk alleen al aan de bijdragen in het blad Nader Bekeken en de kritische vragen en opmerkingen in de blogs van Matthijs Haak, Dolf te Velde en Wolter Rose. Het kan zijn dat die bijdragen niet gedegen genoeg zijn bevonden, maar het is duidelijk dat nieuwe exegetische inzichten deze schrijvers niet hebben overtuigd.

Bijbels onderwijs

Ik lees in het Nieuwe Testament, en in het bijzonder in het onderwijs van de apostel Paulus, over man en vrouw in de kerk drie dingen die actuele en blijvende betekenis hebben.

1. In een wereld vol onderdrukking en achterstelling van vrouwen is er eerherstel voor de vrouw. Onbekommerd schrijft Paulus aan de gemeenten in Galatië: „Want u bent allen kinderen van God door het geloof in Christus Jezus (…) Daarbij is het niet van belang dat men man is of vrouw, want allen bent u één in Christus Jezus” (Gal. 3:26-28, HSV). Dit lijkt me in lijn met de profetie van Joël, die door de apostel Petrus in zijn pinksterpreek wordt aangehaald, dat zonen én dochters zullen profeteren. Daarvan lezen we ook in de brieven van Paulus.

2. In een wereld vol misplaatst en onderdrukkend gedrag van mannen moeten mannen leren hoe zij met (hun) vrouwen moeten omgaan. Ik heb als deputaat voor ”m/v in de kerk” in mijn verantwoording aan de generale synode Ede (2014) uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor deze cultuurkritiek van Paulus. De vloek die God na de zondeval uitsprak (Gen. 3:16: „…en hij zal over u heersen”) kan voor mannen geen legitimatie of alibi zijn om vrouwen te onderdrukken of te gebruiken voor hun eigen belangen. Integendeel, Paulus spiegelt de man-vrouwverhouding aan de verhouding van Christus en Zijn gemeente en geeft de mannen onderwijs in de Geest van Christus: Wie leidinggeeft moet worden als iemand die dient, zoals Hij (zie Luk. 22:26, 27). Leidinggeven heeft niets te maken met onder de duim houden of andere vormen van onderdrukking. Gezaghebbend spreken is niet gelijk aan brute machtsuitoefening. Beide staan in het teken van dienen.

3. In de gemeente van Christus delen allen in de genade, en toch wordt er ook onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Dat is kennelijk niet met elkaar in tegenspraak. In navolging van Christus bij de keuze van Zijn discipelen worden er in Zijn gemeenten geen vrouwen aangesteld als oudsten. Nergens lezen we dat vrouwen dat niet zouden kunnen vanwege hun vrouwelijke eigenschappen of vanwege een gebrek aan kennis van de Schriften. Wel ontdekken we, als we Paulus’ onderwijs op dit punt overzien, dat hij aansluit bij het begin van de geschiedenis. Heel duidelijk is dat in 1 Tim. 2:13, 14, waar hij uitdrukkelijk argumenteert met een beroep op de verhouding tussen Adam en Eva bij schepping en zondeval. Op dit Schriftgedeelte volgt onmiddellijk 1 Tim. 3, waar eisen worden gesteld aan opzieners in de gemeente, waaronder dat zij man moeten zijn. Als Paulus, aangesteld als apostel van Jezus Christus, zo argumenteert, kunnen wij deze boodschap niet terzijde schuiven als achterhaald of cultuurgebonden, of als geïsoleerde zwijgteksten. Dat kan evenmin met Paulus’ typering van de man als hoofd van de vrouw, naar het voorbeeld van Christus als hoofd van Zijn gemeente.

De kern van de hele discussie over M/V en ambt is de vraag waarom dit onderwijs niet meer beslissend zou zijn voor de christelijke kerk anno nu. Verkerk en Glas stellen dat de exegetische discussie de pas wordt afgesneden met een (vermeend) hermeneutisch argument. Dat zou dan haaks staan op de vrijheid van de exegese waaraan de GKV hun bestaan zouden hebben te danken. Ik heb wel even met mijn ogen geknipperd toen ik dit las. Drie jaar geleden waren deputaten ”m/v in de kerk” het met elkaar eens dat over de exegese van bepalende Bijbelgedeelten geen wezenlijk verschil van mening bestond. Paulus heeft geschreven wat hij heeft geschreven. De wegen gingen uiteen bij de betekenis en toepassing daarvan in onze tijd en cultuur.

Oudsten

In het rapport ”Samen dienen” is, meer dan in het deputatenrapport van drie jaar geleden, aandacht gegeven aan de rol die verschillende vrouwen in de Bijbel hebben gespeeld. Maar daarin komt het verschil tussen een regeerambt en allerlei andere diensten in de kerk te weinig uit de verf. De oudste in het NT is niet alleen een ‘koploper’, iemand die voorop gaat in dienstbetoon, maar ook iemand die met volmacht van Christus geroepen is toezicht te houden op de kudde (Hand. 20:28). Met die volmacht kunnen oudsten ook tegenover de gemeente komen te staan. Zij zijn geroepen om het Woord van God te verkondigen, toezicht te houden op de kudde, en verantwoording af te leggen aan hun Heer over de zielen van de gemeenteleden (Hebr. 13:17). Het ambt van oudste toont veel gelijkenis met dat van ouderling, inclusief de predikant in de gereformeerde kerken. Het moet onderscheiden worden van allerlei gaven die de Heilige Geest in de gemeente geeft.

Het feit dat vrouwen niet tot dit ambt worden geroepen is allerminst een rem op de inbreng van vrouwen in de gemeente, zoals in het rapport ”Samen dienen” soms lijkt te worden gesuggereerd. Gelovige mannen en vrouwen in de gemeente ontvangen allen gaven van de Heilige Geest tot opbouw van de gemeente, maar zij krijgen niet allen dezelfde roeping. Een beroep op de vele gaven van vrouwen en hun inzet voor het evangelie mag niet gebruikt worden als een breekijzer om het regeerambt voor hen te openen. Gaven worden ingezet vanuit de roeping, niet andersom.

De auteur was deputaat ”M/V in de kerk” vóór de generale synode van de GKV (Ede 2014) en is ouderling in de gkv Capelle aan den IJssel-Noord.