De enge poort is voor Joden even smal als voor christenen

Israël 70 jaar

„Jeruzalem dat ik bemin, wij treden uwe poorten in.” Duizenden Nederlanders hebben deze dichtregels in hun gedachten, terwijl ze richting de Jaffapoort lopen of door de straten van de Oude Stad slenteren. Welke vrede wensen ze de 70-jarige staat Israël toe?

Jeruzalem is een religieuze smeltkroes. Je merkt het vooral op vrijdag: ’s middags vanaf een uur of drie loopt een groep franciscaner monniken met een houten kruis op hun rug de Via Dolorosa, de weg der smarten. Een paar uur later begint de sabbat en stromen duizenden blijmoedig kijkende Joden vanuit de stad omlaag naar de Westelijke Muur, de Klaagmuur. Aan de andere kant ervan, op het Tempelplein met daarop de Rotskoepel met het gouden dak, is het ook druk. Dat plein is op vrijdag alleen toegankelijk voor moslims, die daar vijf keer per dag opgeroepen worden tot gebed. In de kerk van Sint-Anna, vlak bij de vijvers van Bethesda, galmt het “Amazing grace” uit de mond van een groep koptische christenen.

Net buiten de stadsmuren loopt een buslading Ethiopische Joden richting de Nieuwe Poort, grotendeels vrouwen in witte gewaden met felgekleurde randen. Het plein bij de Kerk van het Heilig Graf is vol. Orthodoxe pelgrims knielen voor de steen waarop, volgens de overlevering, het lichaam van Jezus na de kruisiging is neergelegd. Ze wrijven er doeken, sieraden en zojuist gekochte souvenirs overheen om de zegen uit Jeruzalem mee naar huis te kunnen nemen. In de graftuin, hemelsbreed maar een halve kilometer ervandaan, zingt een handvol Nederlandse jongeren heel stemmig: „Dit is de dag, de roem der dagen.” Intussen loopt een groepje christenen als wachters over de muren rond de stad: ze nemen de opdracht uit Jesaja 62:6 heel letterlijk en herinneren de duizenden toeristen en inwoners iedere dag luidkeels aan de heilsbeloften voor Israël en Jeruzalem.

Zoekers

Zo dwalen dagelijks duizenden mensen door deze bijzondere stad. Op zoek naar zichzelf, naar geluk, naar een goed gevoel, naar gezelligheid of geborgenheid, of op zoek naar God. Maar naar welke God dan? „We dienen toch allemaal dezelfde God, ook al doen we dat ieder op onze eigen manier?” stelt een westers uitziende jongedame. Zo verzoeningsgezind is het echter niet rond de Westelijke Muur. Aan de Joodse kant zie je geen enkele moslim en andersom, bij de koepels op het Tempelplein, komen nauwelijks Joden. Het is er ook strikt verboden om te bidden, te zingen of zichtbare niet-islamitische religieuze symbolen te dragen.

Ook reformatorische christenen zijn niet eensgezind in hun opvattingen over Israël en het Jodendom, en al helemaal niet over de verhouding tussen Joden en Palestijnen en het optreden van Israël in omstreden gebieden als Gaza en de Westoever. Er gaat letterlijk geen dag voorbij of de redactie van deze krant ontvangt er mails over. De zeventigste verjaardag van de staat Israël is een goede aanleiding om wat piketpaaltjes te plaatsen. Over twee weken verschijnt een magazine dat uitgebreid op deze kwestie ingaat.

Bij gesprekken hierover ontmoet je soms mensen die de Palestijnse kwestie terugbrengen tot een discussie over landsgrenzen. Formeel is dat misschien juist, maar er zitten minstens twee andere dimensies aan. Enerzijds heeft het conflict een bovenregionale uitstraling die zelfs de verhouding tussen Trump en Poetin beïnvloedt.

Daarnaast valt onmogelijk te ontkennen dat de kwestie diepe religieuze wortels heeft. De restricties aan weerszijden van de Klaagmuur zijn er een voorbeeld van. De vragen over de nederzettingen en de betwiste gebieden zijn niet los te koppelen van de visie op het Oude Testament en de landbelofte. Maar ook al is dat een (deel van de) verklaring voor de onvrede of zelfs haat tussen volkeren, daarmee is het nog geen rechtvaardiging voor buitenproportioneel geweld, of dat nu komt van Israëlische militairen of van Palestijnse relschoppers.

Abraham

Wie de eeuwenoude beloften aanpakt als een stok om Palestijnen te slaan, maakt oneigenlijk gebruik van de Bijbelse profetieën, die immers ook allerlei beloften voor niet-Joodse volken bevatten. Rabbi dr. Shlomo Riskin van Efrat verduidelijkte dat met een mooi voorbeeld: „Abraham had van God de landbelofte ontvangen. Maar toen hij een stuk grond nodig had om zijn vrouw te begraven, stond hij erop om dat land te betalen in plaats van het op te eisen. Hij gaf er zelfs een buitensporig hoog bedrag voor. Ik geloof dat we, ook al belooft God ons dit land, het van niemand mogen afpakken die er nu woont en we dat evenals Abraham netjes moeten kopen.”

Een aanzienlijk deel van de reformatorische christenen vraagt zich echter af of die beloften nog wel op Israël van toepassing zijn. Is de kerk niet in plaats van Israël gekomen? En zo ja, is er dan nog wel een bijzondere verwachting voor de Joden of voor de staat Israël? Het moet gezegd: die gedachte heeft oude wortels. De kanttekeningen bij de Statenvertaling illustreren dat. Bij de belofte in Jeremia 31:12 („Dies zullen zij komen en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot des Heeren goed…”) wordt de hoogte van Sion uitgelegd als de christelijke kerk. Datzelfde gebeurt bij Zacharia 12, waarin Jeruzalem een lastige steen voor alle volken genoemd wordt: de Bijbelvertalers betrekken dat volledig op de christelijke gemeente.

Judaïsme

Ook in het eind vorig jaar verschenen boek van dr. Steven Paas (”Het Israëlisme en de plaats van Christus. Christocentrische interpretatie van Bijbelse profetie”) ligt de nadruk erop dat er nu geen bijzondere beloften voor Israël of de Joden meer zijn en dat de tussenmuur is afgebroken. God toont Zijn liefde voor de wereld in Zijn Zoon, ook aan het Joodse volk, maar er is geen heil voor hen te verwachten buiten het geloof in de Heere Jezus Christus.

Paas en zijn medescribenten leggen daarbij de vinger op een gevoelige plek. Gaan veel christenen niet te naïef om met Bijbelse profetieën alsof het voor Joden niet zo nodig is om verzoend te worden door het bloed van Christus? Of nog een stap verder, dat ze zó verliefd worden op Israël, zich zó schamen voor het antisemitisme, zó onder de indruk raken van het Joodse geloof, dat ze zelf ook de sabbat gaan houden, het Loofhuttenfeest vieren of koosjer gaan eten. In de stem van de Palestijnse predikant dr. Munther Isaac uit Bethlehem klonk frustratie door: „Is het deze christenen te doen om Israël of om Jezus?” Terechte vraag. Tegen mensen die zo in de ban van het judaïsme raken, zegt Paulus: „Wie heeft u betoverd?”

Olijfboom

Diezelfde Paulus noemt in Romeinen 11 echter een goede reden om de Joden wel degelijk een bijzondere positie toe te kennen. Zou God Zijn bondsvolk verstoten dat Hij tevoren gekend, erkend en verkoren heeft? Het is de oude olijfboom, waarin christenen en heidenen geënt worden, door het geloof in Christus. De Statenvertalers en vele predikanten uit de Reformatie en Nadere Reformatie waren overtuigd van de toekomstige bekering van de Joden en ze baden God daar ook om.

Het vraagt behoedzaamheid voor christenen om het midden te houden tussen die twee klippen, enerzijds het judaïsme en anderzijds de opvatting dat er geen bijzondere status meer is voor het Joodse volk. Er is weinig reden voor een speciale voorliefde voor orthodoxe Joden vanwege hun sobere kledij of bijzondere uiterlijk. De enge poort is voor hen even smal als voor christenen, omdat de zaligheid alleen te vinden is in de Naam van Jezus Christus de Nazarener. De Joden zijn de beminden om der vaderen wil, dat staat buiten kijf, maar dezelfde tekst (Rom. 11:28) noemt hen ook vijanden aangaande het Evangelie. Vijanden die, volgens de belofte uit dat hoofdstuk, ingewonnen zullen worden voor dat Evangelie. Dat is tegelijkertijd de dringende reden voor het gebed voor Joden –orthodox, liberaal of seculier– of geheel Israël zal zalig worden.