Zorgpersoneel verdient blíjvende waardering

Economie
Dank aan zorgpersoneel, beeld ANP, Robin van Lonkhuijsen.

Het heeft iets dubbels, die coronacrisis. Wie oud is of een zwakke gezondheid heeft, is bezorgd. Wie jong is en zich sterk voelt, is misschien blij dat hij een tijdje niet naar school hoeft. Een zzp’er ziet zijn inkomen naar nul dalen en zit werkloos thuis. Een verplegende of arts op een ic-afdeling van een ziekenhuis werkt zich een slag in de rondte.

Voor deze „helden in de zorg” klinkt momenteel in maatschappij en politiek terecht volop waardering. Dinsdagavond om 20.00 uur stond half Nederland voor hen te klappen. En in het Kamerdebat van woensdag werden medici, verplegenden, thuiszorgmedewerkers, schoonmakers en allen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de zorg voor coronapatiënten voortdurend een hart onder de riem gestoken.

Nogmaals, volkomen terecht. Want van deze beroepsgroepen wordt in deze bijzondere tijd het uiterste gevergd. En zij géven er ook al hun krachten aan. Is het bijvoorbeeld niet hartverwarmend dat de afgelopen dagen zich zo’n 7000 oud-zorgmedewerkers hebben gemeld die weer aan de slag willen om hun vroegere collega’s, als dat even mogelijk is, te ontlasten?

Net als deze oud-zorgprofessionals liet ook de Tweede Kamer het woensdagavond niet bij woorden. Met algemene stemmen nam zij een door Van Kooten-Arissen ingediende motie aan die het kabinet vraagt om „zorgverleners van wie nu extra inzet wordt gevraagd in de bestrijding van het coronavirus, als blijk van waardering, een bonus toe te kennen.”

Toch past bij al deze lof een kanttekening. Want waarderen we onze zorgmedewerkers en hun sector óók zo sterk in normale tijden? Die zelfkritische vraag mag in elk geval de politiek zichzelf stellen. Het is nog niet zo heel lang geleden, te weten in 2008, dat we een wereldwijde bankencrisis hadden, die leidde tot een zware financiële crisis en een diepe economische recessie. Als gevolg daarvan besloten Rutte I en II tot ongekende bezuinigingen. Die sloegen, via stevige budgetkortingen, ook neer bij de zorg. Zo werd op die sector alleen al in 2015 zo’n drie miljard euro bezuinigd.

Ook is het nog niet zo lang geleden dat, op een nogal chaotische wijze, het Amsterdamse Slotervaartziekenhuis werd gesloten; een faillissement waardoor de politiek, vreemd genoeg, compleet leek te worden overvallen. Voor het getroffen zorgpersoneel was dat een hard gelag. Met enig recht vroeg dat zich af: Laat de overheid dit nu zomaar gebeuren? Krijgen wij nu stank voor dank? Jarenlang geploeterd en dan plots, als waren wij een wegwerpartikel, aan de kant gezet?

Daarom, de huidige waardering voor onze zorgsector is weldadig en geheel op zijn plaats. Maar laten we dit gevoel ook vasthouden wanneer, zo God het geeft, de coronacrisis ooit weer achter de rug is. En laten in het bijzonder politiek verantwoordelijken het belang van deze sector onder ogen zien én vertalen in steunend en ondersteunend beleid. Niet alleen nu, maar ook later.