Vervang inburgering door maatschappelijke dienstplicht

beeld ANP, Jerry Lampen

Een goed inburgeringsbeleid is de hoeksteen van het landelijke integratiebeleid. Die wetenschap is al door vele kabinetten met de mond beleden.

Tegelijkertijd blijkt het jaar in, jaar uit uitermate lastig om migranten zo te begeleiden dat ze op termijn in staat zijn een volwaardige plek in de Nederlandse samenleving in te nemen. Dat wil zeggen: zonder langdurig te zijn aangewezen op de bijstand, of zonder zich op te sluiten in eigen kring. Dat werkt zoals bekend geen integratie, maar juist segregatie in de hand.

Maandag presenteerde minister Koolmees (Sociale Zaken) de contouren van een inburgeringsbeleid nieuwe stijl. Het kabinet lost daarmee een belofte in uit het regeerakkoord: de aanpak gaat op de schop. In ten minste één opzicht is dat ook zeker het geval. Zo is Rutte III van plan om vanaf 2020 een einde te maken aan het in 2013 ingevoerde leenstelsel, waarin de verantwoordelijkheid voor het kiezen en volgen van de juiste inburgeringscursus werd neergelegd bij de asielmigrant. In plaats daarvan komt de regie straks weer bij gemeenten te liggen, kortom: bij de overheid.

Echt opzienbarend kan die keus niet worden genoemd. Na een vernietigend rapport van onderzoeksbureau Significant, eind juni, was het bestaande stelsel onhoudbaar geworden. De zelfredzame migrant bleek een illusie; het privatiseren van de inburgering een kwestie van goedkoop, duurkoop. In meerdere gevallen voldeed de lesstof niet, laat staan dat een nieuwkomer dat zelf kon inschatten. Door alle tekortkomingen had slechts 60 procent van de inburgeringsplichtige nieuwkomers na vier jaar het examen behaald.

Los van welk stelsel men ook kiest, een inburgeringscursus zal altijd een nietig instrument blijven voor het laten integreren van instromers die al bij binnenkomst op grote afstand van de Nederlandse samenleving staan: Irakezen, Eritreeërs en Somaliërs. Uitgerekend hun aantal lijkt mede door de vluchtelingenstroom van 2015 te zijn toegekomen. Los daarvan, eind 2016 bleek volgens een SER-rapport slechts 10 procent van alle vergunninghouders direct bemiddelbaar te zijn naar de arbeidsmarkt.

Vorige maand bevestigde Koolmees de Kamer bovendien dat de eindnorm voor analfabeten en laaggeletterden (qua omvang een kwart van de asielmigranten) geregeld wordt losgelaten: de helft van hen hoeft geen examen te doen, maar krijgt uiteindelijk ontheffing „wegens aantoonbare geleverde inspanning.” Kortom, een deel van de vluchtelingen aan wie Nederland op grond van het uit 1951 daterende VN-Vluchtelingenverdrag gehouden is opvang te bieden, kan niet worden klaargestoomd tot doorsneesollicitant.

Is het invoeren van een verplichte maatschappelijke diensttijd geen beter idee dan kansarme nieuwkomers na jarenlang getob met een veel te hoog gegrepen inburgeringscursus een ontheffing te geven? Nieuw beleid uitstippelen vergt behalve veranderingsgezindheid ook realiteitsbesef.