Streven in SGP naar open bestuurscultuur heeft niks te maken met ‘licht’ of ‘zwaar’

Bestuurscrisis SGP
SGP-bijeenkomst, beeld Cees van der Wal.

Het is onrustig in de SGP. Dat is wel het minste wat je over recente ontwikkelingen in deze partij, met name het aftreden van drie hoofdbestuursleden, kunt zeggen. „Opmerkelijk”, stellen veel media, „voor een partij die altijd zo stabiel en gezagsgetrouw was.”

Die analyse is begrijpelijk, maar historisch gezien kortzichtig. Want ook vroeger kon het in SGP-kring stormen. Of valt het felle verzet van de rechterflank van de partij tegen het leiderschap van ds. H. G. Abma niet eigenlijk te typeren als een soort opstand?

Tweede voorbeeld. Eind 2005 legden twee hoofdbestuursleden, ds. J. H. van Daalen en J. van Belzen, plots hun functie neer vanwege onvrede over besluiten over samenwerking met de CU (een kwestie die samenhing met de plaats van vrouwen op kieslijsten). Over onrust gesproken!

Is er dan niets nieuws onder de zon? Toch wel. In de jaren zeventig speelden, behalve onbegrip voor de stijl- en woordkeuze van ds. Abma, ook theologische tegenstellingen een grote rol: de ‘zwaardere’ kerken tegenover de ‘lichtere’. En in het vrouwenvraagstuk acteerden hervormden anders dan, zeg maar, leden van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland.

Dat alles speelt nu niet. Een woord dat steeds weer opduikt als journalisten of SGP-prominenten de recente problematiek duiden, is dat er verschil van inzicht bestaat over de gewenste „bestuurscultuur”. Daarbij kan enerzijds gedacht worden aan hoe je je als SGP’er opstelt in het openbaar bestuur en hoe je met bijvoorbeeld onkostenvergoedingen of een wachtgeldregeling omgaat. Anderzijds wordt met deze term gehint op hoe je als SGP’ers binnen de partij met elkaar omgaat. Hoe organiseer en bestuur je een partij? Hoe transparant ben je naar je achterban?

Dat in deze cultuur verbeteringen mogelijk én noodzakelijk zijn, zal, nu een heftig conflict binnen de hoogste regionen van de partij naar buiten is gebarsten, waarschijnlijk geen enkele SGP’er meer ontkennen. Maar hoe dat moet gebeuren, is lastig.

Regels veranderen (minder dubbele petten, kortere bestuurstermijnen, andere manieren van verkiezen van bestuurders) kán daarbij helpen. Uiteindelijk komt het echter toch aan op –daar komt-ie weer– de cultuur, de mentaliteit, de attitude.

Wat is daarin dan nodig? Veel naar elkaar luisteren. Je in de ander kunnen verplaatsen. Een juridisch gelijk niet uitspelen tegen terechte morele vragen. Je eigen belang opzij kunnen zetten voor het algemeen belang. Niemand de hand boven het hoofd houden omdat je nu eenmaal een bepaalde voorgeschiedenis met hem hebt. Conflicten niet in het openbaar, via persberichten, uitvechten. Als je aangevallen wordt, soms bewust níét terugslaan, maar omwille van de záák incasseren.

Dat soort zaken. Die hebben niks te maken met links of rechts of met zwaar of licht. Zelfs niet met oud of jong. Zij zouden voor elke SGP’er, en elke refobestuurder, moeten wegen.