Schrappen van votum door de leiding van VU verlies

Gesteld dat Abraham Kuyper nog leefde, zou het hem veel pijn en verdriet hebben gedaan dat de Vrije Universiteit de verwijzing naar het Evangelie van Jezus Christus uit de statuten heeft geschrapt. Het besluit –eerder dit jaar– zou zeker ook bij hem opschudding hebben veroorzaakt. Met grote verontwaardiging zou hij hebben uitgeroepen: „Heb ik me daarvoor ingespannen? Om een vrije univer­siteit te stichten die even seculier is als alle andere?”

Het is ook dramatisch wat er aan de zuidkant van Amsterdam gebeurt. Een instelling voor gereformeerd wetenschappelijk onderwijs, die ooit een duidelijk omlijnde grondslag had en waar bevlogen docenten de (neo)calvinistische wereldbeschouwing aan studenten meegaven, is nu een instituut waar zo ongeveer elke religieuze opvatting een legitieme plaats heeft. Veel docenten en studenten van de VU zeggen niets meer met het gereformeerde geloof te hebben. Het raakt hen niet; het roept bij een aantal zelfs aversie op.

Niet verwonderlijk dat inmiddels op de VU de discussie gaat over de vraag of het nog wel zinvol is om bij promoties het votum uit te spreken. Nog steeds is het gebruik om voorafgaand aan de verdediging van een proefschrift te bidden om de hulp van de Heere. Blijkens een artikel in het universiteitsblad hebben nogal wat VU-mensen daar moeite mee. Zij hebben immers niks met God.

Mensen die vanuit overtuiging vasthouden aan het gereformeerde beginsel zullen blijven verdedigen dat dit gebed gehandhaafd moet worden. Het her­innert immers aan de oorsprong van de VU. En daar zit iets in. Een bijzondere (onderwijs)instelling die haar historische wortels vergeet, raakt op drift en loopt doorgaans vast in de discussie over haar bestaansrecht. Belangrijker is echter nog dat met het schrappen van het votum er geen aandacht meer voor is dat ieder mens in al zijn doen en laten afhankelijk is van God. Want dat klinkt door als wordt gezegd dat „onze hulp is in de naam van de Heere.”

Daarbij valt wel de vraag te stellen of het uitspreken van het votum door iemand die totaal ongelovig is geen vorm van spotten is. Hij gelooft immers niet wat hij zegt. Iemand die deze woorden uitspreekt, draagt inderdaad verantwoordelijkheid voor hetgeen hij zegt – ook al doet hij dit in functie, en niet als privépersoon. Maar de vraag moet dan niet zijn of hij van dit gebed af kan, maar of hij die functie wel kan vervullen. Als de leiding van de VU kiest voor een votum bij promoties, moeten de medewerkers zich afvragen of ze wel bij die identiteit passen. Zo niet, dan moeten zij de consequenties hieruit trekken. Het eigenlijke probleem van de VU is niet het wel of niet afschaffen van het votum, maar het loslaten van de identiteit.

Tegelijk moeten christenen die het verdwijnen van het votum ter harte gaat, bedenken dat met het afschaffen van dit openingsgebed God niet verdwenen is van de VU. Hij is er, ook al negeren veel mede­werkers van de universiteit Hem. Hij wil studenten en docenten Zijn bijstand blijven geven, ook wanneer ze moeten functioneren in een seculiere omgeving. Hij weet waar zij ‘wonen’.