Politiek moet regie over ziekenhuisbeleid nadrukkelijker opeisen

beeld ANP, Remko de Waal

Hoe moet het verder met de ziekenhuiszorg na de faillissementen in de hoofdstad en de Flevopolder? Die vraag houdt burgers en politici bezig, én hangt, zo lijkt het, nog wel even boven de markt.

CDA-leider Buma sprak op het laatste congres van zijn partij harde woorden toen hij de ondergang van de twee instellingen linkte aan „het liberale rendementsdenken dat te ver is doorgedrongen in de samenleving.” Hij noemde niet dat het kabinet-Balkenende II, waarin zijn eigen CDA de hoofdrol vervulde, aan de basis stond van het huidige zorgstelsel dat blijkbaar voor dat verkeerde denken heeft gezorgd.

Kern van de destijds doorgevoerde stelselherziening was dat zorgverzekeraars ziekenhuizen moesten prikkelen tot het leveren van betere, onderscheidende hulp. De vraag is dus niet alleen: Zijn er sinds 2006 weleens ziekenhuizen failliet gegaan? Wie de nu door Buma zo versmade beleidswijziging wil beoordelen, moet ook nagaan of verzekeraars hebben bijgedragen aan het vernieuwen en toekomstbestendiger maken van de zorg.

Het antwoord is genuanceerd. Mede dankzij verzekeraars worden er aan de medisch-specialistische zorg nu zulke hoge kwaliteitseisen gesteld dat de kleinere streekziekenhuizen daar soms niet meer aan kunnen voldoen. Diverse van deze instellingen hebben daardoor afdelingen moeten sluiten, zijn compleet ontmanteld of na een overname een dependance of polikliniek geworden van een groter, specialistisch ziekenhuis. In sommige regio’s is het zorgaanbod daardoor wel erg drastisch verschraald. Daar staat tegenover dat verzekeraars in delen van het land met succes hebben geïnvesteerd in het terugdringen van ligdagen, heroperaties en terugkombezoeken. Het Beatrixziekenhuis in Gorinchem is een schoolvoorbeeld van een organisatie die door de samenwerking met zorgverzekeraar VGZ haar positie juist heeft versterkt.

Gelukkig is ook de koers die het CDA in de Tweede Kamer over ziekenhuizen volgt veel genuanceerder dan men geneigd zou zijn te onderstellen op grond van Buma’s stevige taal. Een motie van de hand van CDA-Kamerlid Joba van den Berg, die de Kamer met ruime steun aannam, roept het kabinet vooral op in kaart te brengen welke streekziekenhuizen een regionale spilfunctie vervullen. Vervolgens moet bevorderd worden dat alle zorgaanbieders in die streek eerst samen afspraken maken over de continuïteit van de zorg, vóór de gedwongen sluiting van zo’n ziekenhuis. Dat is een realistische eerste stap.

Het voeren van zo’n beraad gaat niet vanzelf; dat heeft het recente debacle rond de twee omgevallen ziekenhuizen wel geleerd. Het is nu dus vooral zaak dat de politiek de regiefunctie ten aanzien van de ziekenhuiszorg, die zij na de stelselherziening van 2006 overigens gewoon behouden heeft, nadrukkelijker opeist. Laat het CDA vooral daar op toezien. Als Buma daarna nog grote woorden wil spreken, is dat vroeg genoeg.