Onderwijsvrijheid staat onder druk maar velen hebben het niet in de gaten

Vrijheid van onderwijs
Men kan zich na honderd jaar onderwijsvrijheid afvragen of ouders binnen christelijke kring nog wel voldoende beseffen hoe groot het voorrecht is. beeld RD, Anton Dommerholt

De onderwijsvrijheid vraagt onderhoud. Die stelling poneerde demissionair minister van Onderwijs Bussemaker achterliggende week in deze krant. En ze heeft gelijk. Wat niet wordt onderhouden, slijt en raakt in verval.

Vraag is natuurlijk wel wat de minister ermee bedoelt. Zij verstaat onder onderhoud vooral herijking. En dan gaat het erom wat het ijkpunt is. Is dat de oorspronkelijke bedoeling van de onderwijsvrijheid of zijn dat de moderne opvattingen? Met andere woorden: Wil je de vrijheid van onderwijs handhaven in haar oorspronkelijke opzet of vind je dat het begrip een nieuwe invulling moet krijgen omdat de tijdsomstandigheden zijn gewijzigd? Dat maakt wel uit.

2017-05-16-pkFLE2-bussemaker_voor_PK-4-FC_webMinister Bussemaker: Vrijheid van onderwijs verdient onderhoud

Veel politieke partijen hebben de neiging om te kiezen voor het laatste. Dat er vrijheid van onderwijs is, vinden zij een groot goed. Maar die moet dan wel ingevuld worden volgens de normen van de moderne tijd. Dus als er in het onderwijs dingen worden gezegd die niet meer aansluiten bij de moderniteit dan moet de overheid volgens hen ingrijpen.

Dat is echt iets anders dan met de financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs is afgesproken. Toen die net van kracht was, werd binnen antirevolutionaire kring met enige verbijstering vastgesteld dat de nieuwe regelgeving niet alleen ruimte gaf aan christelijke scholen maar ook aan antichristelijke. Beide hadden nu recht op subsidie als er tenminste voldoende leerlingen waren en er deugdelijk onderwijs gegeven werd. Stelregel was dat de overheid zich niet met de inhoud van het lesprogramma of met het benoemingsbeleid zou bemoeien.

Daar lijkt nu een omslag in te komen. Politiek en overheid proberen steeds nadrukkelijker aanwijzingen te geven wat er in scholen onderwezen moet worden, ook op het terrein van ethiek en levensbeschouwing. Denk aan thema’s als burgerschap, seksuele diversiteit, evolutie. Instellingen die op die terreinen enigszins een eigen koers willen varen, staan steeds duidelijker onder kritiek. Sommigen vinden dat wanneer je op school de exclusiviteit van het christelijk geloof leert, je geen overheidssubsidie moet krijgen. Toegegeven, het is (nog) een minderheid, maar die stemmen zijn er wel. En ook zij spreken van noodzakelijk ‘onderhoud’ van de vrijheid van onderwijs, maar bedoelen feitelijk totale verbouw waarbij het hele gebouw wordt gestript en er een kaal casco overblijft.

Dat betekent dat de onderwijsvrijheid onder druk staat. Dat wordt lang niet altijd beseft binnen orthodox-christelijke kring, waar kinderen doorgaans onderwijs volgens op een bijzondere school. Dat de jeugd naar eigen scholen gaat, wordt als vanzelfsprekend gezien. Terwijl het dat niet is. Of, dat komt ook voor, ouders vinden het niet (meer) nodig om hun kinderen naar een reformatorische school te sturen.

Men kan zich na honderd jaar onderwijsvrijheid afvragen of ouders binnen christelijke kring nog wel voldoende beseffen hoe groot het voorrecht is. Als ze zich dat bewust zijn, willen ze het besef overdragen aan de volgende generatie. Intern is daarom onderhoud nodig. Dat vraagt kennis van het verleden en doordenking van de actuele vragen.