Met nieuwe regels voor levensbeëindiging zet De Jonge wel degelijk een wissel om

beeld ANP, Bas Czerwinski

Behendig zijn met taal is een vaardigheid die politici geregeld goed van pas komt. Hoe gevoeliger een onderwerp, hoe groter de verleiding om bewoordingen te kiezen die nog ietwat in het midden laten wat de essentie is van een gedane afspraak of een gemaakte toezegging.

Veel Haagse verslaggevers spitsten dan ook de oren toen zorgminister De Jonge deze week nieuwe regels in het vooruitzicht stelde voor actieve levensbeëindiging bij minderjarige kinderen, en evenzeer toen partijen daarop hun eerste commentaar gaven en Kamerleden daarover met hem in debat gingen. Wat zeiden de bewindsman en de woordvoerders nu echt?

Over zijn voornemen was De Jonge glashelder. De huidige strafwet biedt artsen die bij jonge kinderen levensbeëindigend willen optreden, in zijn ogen onvoldoende helderheid. Hij wil deze artsen extra rechtsbescherming bieden. Om die reden komt hij met een ministeriële regeling. De Jonge gaat dus met het OM en de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) om tafel, maar niet om te bezien of er een regeling moet komen. Die komt er hoe dan ook. In het gesprek hoeft alleen nog de inhoud daarvan te worden bepaald.

Het wekt dan ook enige bevreemding dat in alle schriftelijke en mondelinge uitingen van de ChristenUnie van deze week de zin opdook: „Mocht de minister na zijn gesprekken met een regeling willen komen, dan zal de ChristenUnie die regeling op dat moment beoordelen.” Maar het is helemaal geen vraag meer of de minister dat na zijn gesprekken nog wil. Moet de partij niet helder erkennen dat zij ermee instemt dat partijen –buiten de Kamer, de Raad van State en de rechtspraak om– zo’n regeling gaan uitwerken? En alvast duidelijk aangeven welke zorgvuldigheidseisen daar in haar ogen minimaal in zouden moeten staan?

Zo’n regeling is geen fundamentele ommezwaai, hield De Jonge de SGP donderdag in de Kamer voor. Dat wekt meer dan enige bevreemding; zo’n uitspraak kan gerust opzienbarend worden genoemd. Een arts die levensbeëindigend ingrijpt in een kwetsbaar leven dat wilsonbekwaam is, kan zich ook nu beroepen op overmacht. Maar of zo’n beroep terecht is, moeten het OM en daarna de rechter van geval tot geval bezien. Dat heeft nu grote terughoudendheid van artsen als gevolg.

Wie in een ministeriële regeling alvast gaat specificeren in welke omstandigheden er van overmacht sprake is, zet de rechter op afstand, werkt mee aan een milder vervolgingsbeleid en creëert daarmee bewust meer manoeuvreerruimte voor artsen. De Jonge zet wel degelijk een wissel om.

Politici de maat nemen krijgt al snel iets goedkoops. Zeker als zij zich gedrongen voelen om vuile handen te maken teneinde erger te voorkomen. De kiezer een eerlijk oordeel laten vellen kan echter alleen als politici klare wijn schenken over hun keuzes. In plaats van te vluchten in omfloerste of verhullende taal.