Kritiek op verklaring identiteit raakt vrijheden grondwet

Minister Slob, beeld ANP, Bart Maat

In het deze week losgebarsten debat over identiteitsverklaringen van reformatorische scholen spreken seculieren en refo’s een verschillende taal, die het moeilijk maakt nader tot elkaar te komen.

Voor de seculiere meerderheid in ons land vormen begrippen als ”homoseksualiteit”, ”homoseksuele identiteit” en ”veilig klimaat” één onlosmakelijk geheel. Wie homoseksueel geaard is, wil die identiteit tonen en cultiveren, wil een of meer seksuele relaties aangaan met personen van hetzelfde geslacht, en mag daarin door zijn omgeving (ouders, docenten) wel aangemoedigd, maar nooit ontmoedigd worden. Wie dat laatste toch doet, overtreedt een van de grote ‘wetten’ van onze moderne samenleving en zorgt, stelt men, per definitie voor een onveilig klimaat voor opgroeiende en zich ontwikkelende jongeren.

Reformatorische christenen en ook grote delen van de evangelische gemeenschap vullen die begrippen anders in. Zij maken vanouds onderscheid tussen homoseksuele geaardheid, die niemand verweten mag worden, en het aangaan van seksuele relaties met mensen van hetzelfde geslacht, wat zij op grond van een gewetensvol lezen van de Bijbel nadrukkelijk afwijzen en waar zij hun jongeren daarom voor willen behoeden.

Misverstanden over deze begrippen bestaan al tientallen jaren. Maar waar andere spraakverwarringen soms opgelost kunnen worden door langer met elkaar te praten of door definities scherper te stellen, biedt die weg in dit geval geen soelaas. Daarvoor lopen de denkwerelden van de seculiere meerderheid en van de orthodox-christelijke minderheid te sterk uiteen.

De grote vraag is nu of onze samenleving anno 2020 nog de kracht heeft zulke diepgaande verschillen van opvattingen te verdragen en naast elkaar te laten bestaan. Om tot zo’n vorm van tolerantie te komen, zouden we het er eerst met elkaar over eens moeten zijn dat scholen in ons land van de ouders zijn. Het is niet de school die bepaalde normen en waarden rond seksualiteit en relaties ‘oplegt’ aan de ouders, maar het zijn de ouders die, vanuit een bepaalde gedeelde levensovertuiging, een school starten.

Natuurlijk, zo’n door ouders gestarte school mag niet discrimineren. Maar als politici en maatschappelijke krachten de aanval openen op identiteitsverklaringen die slechts pogen na te spreken wat de Bijbel over man-vrouwverhoudingen in essentie zegt, dan dringt men aan scholen én ouders in feite een levensovertuiging en Bijbelexegese op die in strijd zijn met hun diepste opvattingen. Dan bekritiseert men de kern van wat veel Bijbelgetrouwe christenen geloven en worden vrijheid van godsdienst, van onderwijs en van meningsuiting fors geweld aangedaan.

Dat mag niet en dat hoeft niet. Om het in de woorden van SGP’er Van der Staaij te zeggen: „Scholieren verdienen een veilige school én scholen moeten de vrijheid hebben om de klassiek-christelijke opvattingen over huwelijk en seksualiteit te vertolken. Dit moeten we niet tegen elkaar uitspelen, maar bij elkaar houden.”