Klimaatakkoord: stimuleren werkt beter dan verbieden

Oud-minister Nijpels (links) overhandigt het ”Voorstel voor hoofdlijnen van een Klimaatakkoord” aan minister Wiebes. beeld ANP, Robin van Lonkhuijsen

De afgelopen vier maanden onderhandelden belangenorganisaties, bedrijfsleven en overheden over een klimaatakkoord; het Nederlandse antwoord op het internationale klimaatverdrag van Parijs uit 2015. Dinsdag presenteerde oud-minister Nijpels van Milieu (VVD) een tussenstand. De doelstelling is een reductie van de CO2-uitstoot in 2030 met 49 procent.

Het document heeft als titel meegekregen ”Voorstel voor hoofdlijnen van een klimaatakkoord”. De titel spreekt boekdelen. Wat op tafel ligt, is minder is dan een hoofdlijnenakkoord. Kennelijk gaat het nog niet heel hard met de onderhandelingen.

Er zijn vijf onderhandelingstafels: mobiliteit, wonen, industrie, elektriciteit en landbouw. Elk daarvan heeft een eigen tempo. Er zijn concrete en vergaande plannen om de woningbouw te vergroenen en de elektriciteitsproductie te verduurzamen. Maar hoe de zware industrie minder gaat vervuilen en het vervoer schoner wordt, dat blijft grotendeels onduidelijk. Ook op het gebied van de landbouw zijn de voorstellen minder concreet en vergaand dan bij de woningbouw.

Dat is ook wel begrijpelijk. Want maatregelen om de industrie, het vervoer en de landbouw te vergroenen, kosten miljarden euro’s. Dat leidt tot hogere productprijzen en een verslechterende concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven. Hoe de onderhandelaars dit dilemma gaan oplossen, is nog niet duidelijk. Positief is dat nog niemand wegliep van de onderhandelingstafels. Of dat in de toekomst het geval blijft, zal de tijd leren. Nu gaan het Centraal Planbureau en de Planbureau voor de Leefomgeving eerst rekenen, daarna zal Tweede Kamer erover debatteren en dan gaan de onderhandelingen verder. Op dat moment moeten de onderhandelaars knopen doorhakken.

De betaalbaarheid van maatregelen om de elektriciteitsproductie te vergroenen en de gebouwde omgeving energieneutraal te maken, is ook zeker een aandachtspunt. Ook maatregelen op deze terreinen gaan veel geld kosten. Maar minister Wiebes van Economische Zaken, die het ”Voorstel voor hoofdlijnen van een klimaatakkoord” in ontvangst nam, benadrukte dat het klimaatakkoord voor burgers ook „haalbaar en betaalbaar” moet zijn. Die uitspraak zal in de komende debatten over het klimaatakkoord nog weleens terugkomen.

De overheid doet er goed aan om burgers niet van af te stoten in dit dossier, maar naar zich toe te trekken. Dat kan door hen mede-eigenaar te maken van de oplossingen. Uiteindelijk verlopen de keuzes die het overgrote deel van de mensen maakt, via de portemonnee. De overheid kan heel idealistisch doen, maar dat zijn wel de feiten. Concreet betekent het dat stimulering meestal beter werkt dan verbodsbepalingen. Als burgers het idee hebben dat ze er iets aan kunnen verdienen of mee kunnen besparen, is de bereidheid om mee te werken vaak groter. Men vangt meer vliegen met stroop dan met azijn.