Een uitvaart zonder eindtijd

beeld RD, Henk Visscher

Rituelen rond sterven, begraven en rouwen zijn niet in beton gegoten. Elke tijd heeft zijn eigen behoeften en gewoonten. Waarbij het rationele en het emotionele elkaar afwisselen. Hoewel ook daarin nooit scherpe lijnen zijn te trekken. Helder is wel dat zich in deze tijd iets dubbels afspeelt.

Sluipenderwijs wordt de dood uit het dagelijkse leven verbannen. Begraafplaatsen worden (overigens al vanaf de 19e eeuw) verplaatst naar de rand van het dorp of de stad; de doden zijn niet langer ‘onder ons’. Vroeger stierven de mensen meest thuis; sinds de Tweede Wereldoorlog blaast het merendeel van de mensen de laatste adem uit in het ziekenhuis, waarna opbaring plaatsheeft in een rouwcentrum. En de ultieme verbanning van de dood uit het leven, zo zeggen deskundigen, zijn de crematies. De doden verdwijnen –tenzij bewaard in een urn– als het ware spoorloos. Inmiddels wordt tweederde van de overleden mensen in Nederland verast.

De dood komt steeds verder van ‘ons’ bed te staan. De rauwe werkelijkheid lijkt toegedekt te worden met verzachtende woorden. Het woord dood komt –bijvoorbeeld in advertenties– nog maar nauwelijks voor. Ook ”sterven” maakte plaats voor overlijden, heengaan, afscheid nemen, zijn laatste reis aanvangen en dergelijke begrippen. Steeds vaker wordt het sterven als zodanig in het geheel niet meer benoemd.

Het lijk werd een lichaam, vervolgens heette het stoffelijk overschot en overledene; nu is het vaak gewoon Jan. Doodsoorzaken werden voor de negentiende eeuw in rouwaankondigingen onverbloemd genoemd. Daarna verschoof de aandacht. Naar het „noodlottige” ongeval, naar het „kalm en rustig” verscheiden of juist naar de liefdevolle verpleging en verzorging die aan het heengaan voorafgingen. De historicus Philippe Ariès (1914-1984) sprak in dat verband al van „de onzichtbare dood.”

Tegelijk lijkt het taboe rondom sterven, uitvaart en rouwen doorbroken. Het moet als het ware een festiviteit zijn, de begrafenis een happening. Condoleren raakt, vooral in niet-kerkelijke kring, in onbruik. In plaats daarvan moet het leven gevierd worden. De kist moet van artistieke vormgeving zijn, de laatste gang moet passen bij de overledene, en dus per rouwfiets, per rouwboot of wat ook. De dresscode moet het liefst alledaags zijn. De grafsteen kan een ingebouwd videoscherm bevatten, waarop bijvoorbeeld foto’s van de overledene worden afgespeeld. In het pakket van sommige uitvaartverzorgers zit een gastronomische of een oud-Hollandse uitvaart. Een uitvaart in het donker, zelfs een uitvaart zonder eindtijd; familie en vrienden mogen afscheid nemen zolang als zij dat wensen.

Het lijkt inderdaad of het taboe op de dood is doorbroken. Maar hébben we het nog wel over de dood? Of horen al deze noviteiten juist ook bij dat proces van de verbanning van de dood? Het staat in ieder geval ver weg van het denken over de dood met een eindtijd.