Coronawet kabinet is nog niet af

Bezinning
beeld ANP, Jeroen Jumelet

Het behandelen van de tijdelijke Wet coronamaatregelen ligt de Tweede Kamer als een steen op de maag. Wat te doen met dit in sneltreinvaart opgetuigde, juridische bouwsel dat het recht van de overheid om niet alleen gedrags- en hygiëneregels op te leggen, maar ook onderwijsinstellingen en andere gebouwen te kunnen sluiten, van een degelijke juridische basis moet voorzien?

De Groningse jurist Adriaan Wierenga toonde zich vrijdag, toen hij werd ondervraagd door Tweede Kamerleden, lovend. „Ik vind dit wetsvoorstel getuigen van grote ambtelijke kwaliteit. Het zit juridisch mooi in elkaar”, zei hij tijdens een hoorzitting. Maar toen hij was uitgesproken, bleek de wet zijns inziens ook ten minste één artikel te bevatten dat zo omstreden was dat het per direct moest worden geschrapt.

Dat lijkt in hoge mate illustratief te zijn voor de beoordeling die de wet tot dusver ten deel viel. De structuur is in grote lijnen op orde, als er tijdelijk grondrechten worden ingeperkt is dat voortaan wettelijk verankerd en de Tweede Kamer staat niet meer, zoals nu, voor een groot deel buitenspel.

Maar voltooid is de wet nog niet. Daarvoor is er te veel dat vragen oproept en dat her en der, met name ook in de Tweede Kamer, twijfel en ergernis wekt.

Wie de discussie de afgelopen dagen heeft gevolgd, weet ook waar die ergernis zich met name op toespitst: op de nogal centrale rol die zorgminister De Jonge in de wet krijgt toebedeeld. Staat de wet eenmaal, zo is de gedachte, dan kan hij vanaf dat moment als eenhoofdig bestuursorgaan tamelijk eenvoudig elke nieuwe maatregel of ingreep per ministeriële regeling uitvaardigen. De Kamer mag er wat van vinden, maar heeft geen wijzigingsrecht.

Hier ligt de kiem van het ongenoegen dat, zeker bij de oppositie, nog eens wordt versterkt door de vrees dat De Jonge een dergelijke wet niet alleen als zorgminister maar ook als CDA-partijleider publicitair gezien goed kan gebruiken. Of dat wantrouwen jegens de drijfveren van de bewindsman terecht is, is de vraag. De roep om meer gezonde tegenspraak en tegenkracht daarentegen is begrijpelijk. En terecht.

Meerdere deskundigen hebben gepleit voor een beter evenwicht tussen de uitvoerende macht en de volksvertegenwoordiging in de wet. Dat kan door de Kamer een bekrachtigingsrecht te geven. En door de burgemeesters die aan het hoofd staan van de 25 Veiligheidsregio’s –ook wel bekend als het burgemeestersparlement– blijvend een plek te gunnen in de beleidsuitvoering.

Dergelijke suggesties kan De Jonge maar beter serieus nemen. In elk geval om het broodnodige draagvlak voor de wet veilig te stellen; niet alleen in de Tweede, maar zeker ook in de Eerste Kamer. Én om te voorkomen dat de komende Tweede Kamerverkiezingen nu al hun stempel gaan drukken op ieder coronadebat dat hij met de Kamer voert.